sluiten

Inloggen

Log hieronder in met uw gebruikersnaam en wachtwoord.

Deze ontvangt u van ons bij het afsluiten van een (proef)abonnement.

Nog geen inlog? meld u gratis aan


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een (proef)abonnement?.
Neem dan contact op met BIM Media Klantenservice:

sluiten

Welkom bij de Kennisbank NEN 1010

Om de uitgebreide informatie op de kennisbank te kunnen lezen heeft u een inlogcode nodig. Deze ontvangt u bij het afsluiten van een abonnement.

Waarom Kennisbank NEN 1010 kennisbank

  • Kennis van experts altijd beschikbaar
  • Antwoorden, oplossingen en tools
  • Toevoegen van eigen notities mogelijk
  • Praktijkcases, veelvuldig aangevuld
  • Handige formules en interactieve berekeningen
Neem nu een abonnement >


Abonnement € 350,- per jaar, ieder moment opzegbaar. Meer over een abonnement op NEN 1010

“ De norm is soms lastig te begrijpen. De kennisbank bevat de  complete norm NEN 1010 met links naar de praktische uitleg, waardoor achtergronden van de norm duidelijk worden. ”
 

Jaap Jansen,
Installatie Service Bureau

Inloggen voor abonnees


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een abonnement?
Neem dan contact op met Vakmedianet Klantenservice: 088 58 40 888

Of stuur een e-mail naar: klantenservice@vakmedianet.nl

Laadinrichtingen voor elektrische voertuigen (rubriek 722)

In de NEN 1010:2015 is een aparte rubriek opgenomen met betrekking tot laadinrichtingen voor elektrische voertuigen. Deze rubriek geldt zowel voor voertuigen die moeten worden geladen vanuit het voedende net, als voor voertuigen die de elektrische installatie van een voeding voorzien.

Laadinrichting voor elektrische auto. Bron www.dreamstime.com

 

In de definities komen verschillende mogelijkheden voor, waaronder:

  1. Het laden waarbij het elektrische voertuig wordt gekoppeld aan het voedende net met gebruikmaking van genormaliseerde contactdozen. De maximale voeding bedraagt 16 A en een wisselspanning van maximaal 250 V enkelfasig of maximaal 480 V bij gebruik van een driefasen stelsel.
  2. Het laden waarbij het elektrische voertuig wordt gekoppeld aan het voedende net met gebruikmaking van genormaliseerde contactdozen. De maximale voeding bedraagt 32 A en een wisselspanning van maximaal 250 V enkelfasig of maximaal 480 V bij gebruik van een driefasen stelsel. Hierbij zijn eveneens de stuurfuncties en de beveiligingen tegen elektrische schok opgenomen.
  3. Het laden waarbij het elektrische voertuig wordt gekoppeld aan het voedende net met gebruikmaking van speciaal elektrisch materieel voor het elektrische voertuig. De stuurfunctie is opgenomen in de vaste elektrische installatie waarop het een en ander is aangesloten.
  4. Het laden waarbij het elektrische voertuig wordt gekoppeld aan het voedende net door middel van een externe lader.

 

Het toepassen van een TN-C-stelsel is niet toegestaan er dient dus te allen tijde een TN-S-stelsel te worden gebruikt. Voor het bepalen van het benodigde vermogen mag geen reductie worden toegepast door middel van een gelijktijdigheidsfactor. Indien speciale voorzieningen hiervoor zijn aangebracht zoals een regelsysteem, dan kan echter wel met een gelijktijdigheidsfactor worden gerekend.

 

Overbelasting

Wanneer een elektrische auto zonder al te veel nadenken wordt opgeladen, kan dit tot overbelasting in de installatie of in het elektriciteitsnetwerk leiden. Het mag duidelijk zijn dat één elektrische auto het elektriciteitsnet niet snel zal verstoren, maar met gangbare laadver­mogens van 1 x 10 A tot en met 3 x 32 A per auto kunnen er in een gebouwinstallatie al snel knelpunten ontstaan.

Het inpassen van een oplaadvoorziening vraagt dus om enige coördinatie. Belangrijke parameters om mee te nemen bij het kiezen van oplaadpunten en de voedende installatie zijn:

  • het maximale oplaadvermogen van de typische auto die gaat worden aangesloten;
  • de vrije capaciteit in de installatie;
  • de snelheid waarmee zou moeten worden geladen (verhouding tussen oplaadvermogen en batterijcapaciteit);
  • het aantal voertuigen wat tegelijk zou moeten kunnen laden.

 


Thuislading

Wanneer een elektrische rijder thuis een oplaadvoorziening wil (laten) aanleggen, heeft hij een aantal keuzes. Afhankelijk van de aansluiting op het elektriciteitsnet en de lader in de auto kan er een- of driefasenvoorziening worden aangelegd. Naast de capaciteit van de voorziening kan er worden gekozen voor een vaste kabel aan het oplaadpunt of voor een oplaadpunt met een standaard contactdoos.

Het is belangrijk om te beseffen dat een elektrische auto in de thuissituatie vaak uren staat te laden. Op één fase tegelijk opladen, wassen en drogen is een recept voor overbelasting. Dit kan op een aantal manieren worden voorkomen:

  • het continue vermogen van het oplaadpunt beperken, zie ook stuursignalen tussen oplaadpunt en voertuig;
  • het opladen handmatig uitstellen wanneer er bijvoorbeeld nog moet worden gewassen;
  • de aansluiting op het elektriciteitsnet verzwaren;
  • dynamisch het vermogen van het oplaadpunt aanpassen.

Voor deze laatste optie zijn de eerste commerciële producten beschikbaar. Hierbij wordt de stroom gemeten door de hoofdbeveiliging van de installatie. Als daarop overbelasting dreigt, dan kan een dergelijk oplaadpunt via een regelsignaal het oplaadvermogen van de auto (tijdelijk) reduceren. Keerzijde hiervan is dat het laden langer duurt dan continue laden op het volle vermogen van oplaadpunt en lader in de auto.
 

Parkeerterrein en garage

Steeds vaker worden bij bedrijven intern, maar ook in (semi-)publieke parkeervoorzieningen, collectieve oplaadvoorzieningen aangelegd om meerdere voertuigen tegelijk te kunnen laten opladen.

Het is de vraag of in de voedende installatie een vermogen moet worden vrijgehouden ter grootte van het aantal oplaadpunten maal het vermogen per oplaadpunt. Of dit noodzakelijk is, hangt in grote mate af van de typische gebruiker(s) van de oplaadpunten.
 

Als de voorziening is bedoeld om in de lunchpauze alle busjes van een goederen distributiedienst bij te laden voor de middagdienst, dan is het beschikbare vermogen per oplaadpunt al snel ‘missie kritisch’. Voor de overige gevallen kan een aantal maatregelen worden getroffen om (hoofd)beveiligingen in de installatie niet te overbelasten:

  • het continue vermogen per oplaadpunt beperken, zie ook stuursignalen tussen oplaad­punt en voertuig;
  • de aansluiting op het elektriciteitsnet verzwaren;
  • de fasen per oplaadpunt cyclisch verdraaien;
  • dynamisch het vermogen van het oplaadpunt aanpassen.

 

Het cyclische verdraaien van de voedende driefasen van elk oplaadpunt kan helpen, daar de meerderheid van de elektrische voertuigen enkelfasig oplaadt. Door de fasen te verdraaien, komt de eenfasebelasting van elk oplaadpunt verdeeld over de driefasen op de installatie terecht.
 

Voor het dynamisch sturen van het oplaadvermogen per oplaadpunt, zijn de eerste commerciële producten beschikbaar. Hierbij wordt de stroom gemeten door de (hoofd)beveiliging van de voedende installatie. Als daarop overbelasting dreigt, dan kunnen dergelijke oplaadpunten via een regelsignaal het oplaadvermogen van de auto (tijdelijk) reduceren. Keerzijde hiervan is wel dat het laden langer duurt dan continue laden op het volle vermogen van oplaadpunt en lader in de auto. 

Beschermingsmaatregelen

In de norm NEN-EN-IEC 61851 zijn nadere eisen gesteld ten aanzien van de laadstations waaraan moet worden voldaan. 

 

Gezien de omstandigheden waaronder het een en ander wordt gebruikt, veelal in de buitenlucht, moet het elektrisch materieel een minimale beschermingsgraad van IP4x bezitten. Daarnaast moet zeker rekening worden gehouden met mechanische belasting als gevolg van stoten; de beschermingsgraad van het elektrisch materieel moet dan ook minimaal zijn opgewassen tegen een matige stootbelasting (AG2). 

 

Indien door de toegepaste beschermingsleidingen eventuele regelsignalen worden gestuurd, mogen deze niet aan de vaste installatie worden gekoppeld.

Beveiligingsmaatregelen

De elektrische voorzieningen dienen te zijn beveiligd door toestellen met een aardlekbeveiliging met een nominale aanspreekstroom van 30 mA. De aardlekbeveiliging moet van het type A zijn. Daarnaast moeten maatregelen worden genomen tegen foutstromen vanuit de gelijkspanningszijde. Deze bestaan uit een aardlekbeveiliging van het type B voor elk aansluitpunt of een aardlekbeveiliging van het type A waarbij de uitschakeling is gegarandeerd bij een gelijkspanningsfoutstroom van 6 mA of meer. 

 

Deze maatregelen hoeven niet te worden uitgevoerd indien reeds in het laadstation voorzieningen hiervoor zijn aangebracht. 

 

De selectiviteit tussen de verschillende aardlekbeveiligingen moet worden gegarandeerd.

Gerelateerd aan Laadinrichtingen voor elektrische voertuigen (rubriek 722)