sluiten

Inloggen

Log hieronder in met uw gebruikersnaam en wachtwoord.

Deze ontvangt u van ons bij het afsluiten van een (proef)abonnement.

Nog geen inlog? meld u gratis aan


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een (proef)abonnement?.
Neem dan contact op met BIM Media Klantenservice:

sluiten

Welkom bij de Kennisbank NEN 1010

Om de uitgebreide informatie op de kennisbank te kunnen lezen heeft u een inlogcode nodig. Deze ontvangt u bij het afsluiten van een abonnement.

Waarom Kennisbank NEN 1010 kennisbank

  • Kennis van experts altijd beschikbaar
  • Antwoorden, oplossingen en tools
  • Toevoegen van eigen notities mogelijk
  • Praktijkcases, veelvuldig aangevuld
  • Handige formules en interactieve berekeningen
Neem nu een abonnement >


Abonnement € 350,- per jaar, ieder moment opzegbaar. Meer over een abonnement op NEN 1010

“ De norm is soms lastig te begrijpen. De kennisbank bevat de  complete norm NEN 1010 met links naar de praktische uitleg, waardoor achtergronden van de norm duidelijk worden. ”
 

Jaap Jansen,
Installatie Service Bureau

Inloggen voor abonnees


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een abonnement?
Neem dan contact op met Vakmedianet Klantenservice: 088 58 40 888

Of stuur een e-mail naar: klantenservice@vakmedianet.nl

Medisch gebruikte ruimten (rubriek 710)

In rubriek 710 Medisch gebruikte ruimten zijn veel wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste wijzigingen zijn:

 

  • de term ‘klasse’ wordt vervangen door ‘groep’;
  • de benaming van het begrip MES-keten (wordt medisch IT-stelsel);
  • duidelijke leesbare uitleg van een alarm op het “aardfout”-tableau;
  • spanningsindicatoren op wandcontactdozen bij groep 2-ruimten;
  • essentieel deel van een installatie (mag korte tijd worden onderbroken);
  • het (maximale) aantal van wandcontactdozen op een medisch IT-stelsel;
  • het aantal vereffeningspunten.

 

Afhankelijk van de aard van het galvanisch contact bij medisch handelen, zal de medische ruimte worden ingedeeld ofwel worden geclassificeerd. In bepaling 710 van de NEN 1010 zijn deze indelingen opgenomen.

 

Het classificatiesysteem is met het verschijnen van de nieuwe bepaling 710 in lijn gebracht met de internationale normen en harmonisatiedocumenten (HD).

Medische ruimte

Medische ruimte.

Indeling van de ruimten

De indeling van de medische ruimten is sterk afhankelijk van de aard van de handelingen die door medici worden verricht. Veelal zal de medicus dan ook moeten aangeven welke handelingen in de ruimte worden verricht, om deze op een juiste wijze te kunnen indelen. Hieronder is de classificatie opgenomen en is tevens de afhankelijkheid van de netvoeding opgenomen.

 

In de NEN 1010:2015 zijn de volgende groepen gedefinieerd ten aanzien van het patiëntendeel. Hieronder wordt medisch elektrische apparatuur verstaan die met de patiënt in aanraakcontact moet komen voor het functioneren ervan.

  • Groep 0: indien de voeding wordt onderbroken heeft dit geen gevolgen voor de patiënt. Daarnaast is deze groep niet bedoeld als gebruik van medische apparatuur.
  • Groep 1: indien de voeding wordt onderbroken heeft dit geen gevolgen voor de patiënt. De medische apparatuur zal worden gebruikt voor uitwendig eninwendig onderzoek, met uitgezondering van de onderzoeken die in groep 2 zijn opgenomen.
  • Groep 2: indien de voeding wordt onderbroken kan dit gevolgen hebben voor de patiënt. De onderzoeken die met de medische apparatuur worden uitgevoerd reiken tot in of aan het hart.

 

Door bovengenoemde indeling wordt in de NEN 1010 veelal ingegaan op de groepen 1 en 2 omdat groep 0 als een normale ruimte wordt gezien.

Beschermingsmaatregelen

De volgende beschermingsmaatregelen worden achtereenvolgens nader uitgelegd:

  • bescherming tegen elektrische schok (basis- en foutbescherming);
  • bescherming door extra lage spanning;
  • bescherming tegen elektrische schok bij normaal bedrijf (basisbescherming);
  • bescherming door hindernissen;
  • bescherming door plaatsing buiten handbereik;
  • bescherming tegen elektrische schok bij het optreden van een defect (indirect aanrakingsgevaar ofwel foutbescherming);
  • bescherming door automatische uitschakeling van de voeding;
  • bescherming door medische scheiding (MES-ketens);
  • aanvullende potentiaalvereffening;
  • bescherming tegen brand.


De beschermingsmaatregelen verkregen door MES-ketens en potentiaalvereffening worden hierna beschreven.
Daarnaast moet het ongewenst uitschakelen van de aardlekbeveiliging ten gevolge van te veel aangesloten apparatuur worden voorkomen.
 

Bescherming tegen elektrische schok (basis- en foutbescherming)

Indien bescherming tegen elektrische schok tegen zowel direct als indirect aanrakingsgevaar wordt verkregen door het toepassen van SELV-of PELV-ketens, mag de nominale spanning niet hoger zijn dan 25 V~ of 60 V= (zonder rimpel). Uiteraard dienen de actieve delen door isolatie en afschermingen of omhulsels te zijn omgegeven. Metalen gestellen moeten met de potentiaalvereffening zijn verbonden. Daarnaast geldt dat de maximale lekstroom in de desbetreffende keten niet hoger dan 500 µA mag zijn. De maximale lekstroom is niet van toepassing op vast aangesloten elektrisch materieel.
 

Bescherming tegen elektrische schok bij normaal bedrijf (direct aanrakings­gevaar ofwel basisbescherming)

Bescherming tegen elektrische schok bij normaal bedrijf is uitsluitend toegestaan door middel van isolatie van actieve delen of afschermingen of omhulsels. Het is niet toegestaan hindernissen of plaatsing buiten handbereik toe te passen.
 

Bescherming tegen elektrische schok bij het optreden van een defect (indirect aanrakingsgevaar ofwel foutbescherming)

Bescherming tegen elektrische schok bij het optreden van een defect kan worden verkregen door:
automatische uitschakeling van de voeding;


De eisen die worden gesteld aan bescherming door automatische uitschakeling van de voeding, zijn voor de medische ruimten die vallen onder groep 1 en 2 dat:

  • de aanrakingsspanning UL niet hoger dan 25 V mag bedragen en
  • tabel 41C uit rubriek 41 van de NEN 1010 van toepassing is op TN- en IT-stelsels.


Daarnaast zijn er met betrekking tot de TN-stelsels aanvullende eisen, zie onderstaande tabel.

Eisen voor TN-stelsel

Eisen voor TN-stelsel.

Medische IT-stelsels

Medische IT-stelsels zijn stelsels met een elektrische scheiding die specifiek voor medische toepassingen wordt gebruikt. Medische IT-stelsels worden ingezet voor eindgroepen die de voeding verzorgen van medisch elektrische toestellen (veelal met levensfuncties en chirurgi­sche toepassingen) binnen het patiëntengebied in de groepen 1 en 2. De medische IT-stelsels mogen slechts één ruimte voeden.

 

Aan de toegepaste transformator in een medische IT-stelsels worden speciale eisen die zijn gesteld opgenomen in de NEN-EN-IEC 61558-2-15. Veelal wordt door de fabrikanten van transformatoren aangegeven of de betreffende transformator voldoet aan de gestelde eisen.

 

De transformator moet onder andere zijn voorzien van een bewaking tegen overbelasting en/of temperatuurverhoging. Daarnaast mag de lekstroom in het totale secundaire circuit niet groter zijn dan 500 µA (inclusief lekstroom van de transformator). In de volgende afbeelding is een opstelling van de transformatoren te zien.

Opstelling van de transformatoren ten behoeve van medische IT-stelsels

Opstelling van de transformatoren ten behoeve van medische IT-stelsels.

 

De medische IT-stelsels moeten zijn uitgevoerd met een isolatiebewakingstoestel dat voldoet aan de volgende eisen:

  • De inwendige impedantie moet minstens 500 kΩ bedragen.
  • De meetspanning moet wisselspanning zijn met een frequentie van circa 50 Hz en ten hoogste 25 V.
  • De piekwaarde van de stroom mag niet groter zijn dan 500 µA. Dit geldt ook onder fout­condities.
  • Er dient een indicatie aanwezig te zijn indien de isolatie-impedantie tot de minimumwaarde is gedaald.


Daarnaast moeten de medische IT-stelsels zijn voorzien van een alarmsysteem op een plaats die door het medisch of verplegend personeel kan worden waargenomen. Dit alarmsysteem bestaat veelal uit een akoestisch en een visueel systeem. Hierbij wordt de volgende indeling aangehouden:

  • groene lamp: om de normale situatie aan te geven;
  • rode lamp: indien de ingestelde minimumwaarde voor de isolatieweerstand wordt bereikt, zal gelijktijdig het akoestische alarm afgaan;
  • akoestisch alarm: dit kan worden uitgeschakeld; de rode lamp moet uitgaan wanneer de fout is hersteld.


Indien slechts één toestel wordt gevoed door een medisch IT-stelsel, is een isolatiebewakingstoestel niet verplicht.

Aanvullende potentiaalvereffening

Aanvullende potentiaalvereffening moet zijn aangebracht in alle medisch gebruikte ruimten die zijn geclassificeerd als groep 1 en 2. De aanvullende potentiaalvereffening bestaat veelal uit potentiaalvereffeningsleidingen die op de centrale aardrail worden aangesloten en de delen die zich binnen het patiëntengebied bevinden. De achtergrond is dat een potentiaalvereffening plaatsvindt tussen de centrale aardrail en:

  • beschermingsleidingen;
  • vreemd geleidende delen;
  • vast opgestelde metalen delen;
  • beschermingscontacten van wandcontactdozen;
  • afscherming tegen elektrische stoorvelden;
  • aansluitingen van geleidende rasters onder elektrisch geleidende vloeren. Indien deze voorziening niet is geïsoleerd ten opzichte van het gebouw, moet het raster met de basispotentiaalvereffening van het gebouw worden verbonden;
  • metalen schermen van beschermingstransformatoren.


In de twee afbeeldingen hieronder is de centrale aardrail met afgaande leidingen te zien.

Centrale aardrail met afgaande leidingen.

 

De aanvullende potentiaalvereffening is alleen van toepassing op geleidende delen die zodanig zijn opgesteld dat zij bij een defect onder spanning kunnen komen te staan. Vreemd geleidende delen die niet onder spanning kunnen komen te staan, dienen dan ook niet van een aanvullende potentiaalvereffening te worden voorzien. Voorbeelden hiervan zijn:

  • deurknoppen;
  • scharnieren;
  • ophangbalken;
  • raam- en deurkozijnen, zonder elektrisch aangedreven zonwering of jaloezieën.


Het bovenstaande is niet van toepassing als het aanraakbare oppervlak kleiner is dan 0,10 m2 en een maximale afmeting heeft van ten hoogste 1 m. Daarnaast moeten vaste niet-elektrische ondersteuningen voor patiënten, zoals operatietafels, fysiotherapeutische behandeltafels en dergelijke eveneens met de potentiaalvereffening worden verbonden.

Hierbij is de uitzondering aanwezig, dat indien de betreffende voorziening geïsoleerd moet zijn opgesteld, de potentiaalvereffening niet moet worden aangebracht. De impedantie van de vereffeningsleidingen in medisch gebruikte ruimten groep 1 of 2 mag niet groter zijn dan 0,1Ω. De impedantie van de vereffeningsleidingen geldt dan tussen de centrale aardrail en onder andere:

  • vereffeningspunten;
  • de beschermingscontacten van wandcontactdozen;
  • vreemd geleidende delen;
  • metalen leidingen van vloeistoffen en gassen;
  • metalen gestellen van vast aangesloten toestellen.


In de vereffeningsleidingen mogen géén lussen zijn aangebracht. De centrale aardrail moet in of in de nabijheid van de medische ruimte zijn aangebracht en toegankelijk zijn voor inspectiedoeleinden. De aangesloten potentiaalvereffeningsleidingen moeten zodanig op de centrale aardrail worden gemonteerd, dat ze duidelijk herkenbaar zijn en afzonderlijk kunnen worden losgenomen. De aansluitingen moeten:
a.    slechts met gereedschap kunnen worden losgemaakt;
b.    mechanisch voldoende sterk zijn;
c.    elektrisch blijvend betrouwbaar zijn.
 

Indien twee of meerdere aardrails zijn toegepast, moeten deze door middel een vereff eningsleiding onderling worden verbonden. De kerndoorsnede van deze vereffeningsleiding moet minimaal 16 mm2 zijn.
 

In medische gebruikte ruimten groep 1 of 2

Voor toestellen en wandcontactdozen die deel uitmaken van eindgroepen beveiligd door beveiligingsmiddelen met een nominale stroom van hoogstens 40 A, mag de impedantie van de vereffeningsleidingen ten hoogste 0,1 Ω bedragen. Dit geldt onder andere tussen:

  • vereffeningspunten en/of
  • vereffeningsleidingen;
  • vreemd geleidende delen;
  • metalen leidingen voor vloeistoffen en gassen.


Voor toestellen en wandcontactdozen die deel uitmaken van eindgroepen beveiligd door beveiligingsmiddelen met een nominale stroom (In) groter dan 40 A, mag de impedantie van de vereffeningsleidingen maximaal 4/In bedragen. Dit geldt onder andere tussen:

  • vereffeningspunten en/of
  • vereffeningsleidingen;
  • vreemd geleidende delen;
  • metalen leidingen voor vloeistoffen en gassen.

 

Inductiestromen
Een inductiestroom kan ontstaan als de patiënt deel uitmaakt van lussen in de vereffeningsinstallatie. Onbedoelde aardlussen zijn gevaarlijk voor de patiënt. De kans dat onbedoelde aardlussen ontstaan, is groot, omdat de NEN 1010 toelaat een ster- of maasvormige aarding te gebruiken voor zowel de beschermingsleidingen als de vereffeningsleidingen.

Door een stervormig aardingssysteem kan het voorkomen dat tijdens een operatie de patiënt de verbinding vormt tussen twee verschillende uiteinden van de aardingsinstallatie. Tussen die twee verschillende uiteinden kunnen spanningen ontstaan als gevolg van inductiestromen in de aardleidingen en capacitieve koppelingen met stroomvoerende bedrading.
Door deze spanningsverschillen kan er een stroom gaan lopen door het lichaam van de patiënt. Dit moet altijd worden voorkomen. Daarom worden alle vreemd geleidende delen en metalen gestellen binnen het patiëntengebied van een medische gebruikte ruimte groep 2 slechts op één punt geaard.
Deze metalen delen worden via het aardingssysteem van de ruimte wel met elkaar verbonden. Als de verbinding met het vereffeningssysteem wordt losgenomen, moet het metalen deel vrij zijn van de gebouwconstructie (moet minstens 3 kΩ bedragen). De metalen delen moeten dan geïsoleerd zijn opgesteld. Dit kan worden gemeten met een isolatieweerstandmeting van de metalen delen ten opzichte van de vereffeningsinstallatie in de ruimte.
Aanbevolen wordt om een scheiding aan te brengen in de vereffeningsinstallatie. Daarvoor kan een rail worden gereserveerd waarop alle geïsoleerde metalen delen zijn aangesloten. Deze rail wordt als zodanig gemarkeerd. Bij een inspectie is dan sneller te constateren waar eventuele fouten zitten.

Vloeren

Afhankelijk van de aard van de bescherming kunnen vloeren worden ingedeeld als geleidend of geïsoleerd. De aard van bescherming is veelal:

  • bescherming tegen indirecte aanraking;
  • bescherming tegen statische elektriciteit.


In de ene situatie kan worden gesproken van isolerend, terwijl dezelfde vloerweerstand voor de andere situatie als geleidend kan worden beschouwd.

 

Foutbescherming ( bescherming tegen indirecte aanraking)

Volgens bepaling 413.3.4 van de NEN 1010 is er sprake van isolerende vloeren wanneer de weerstand van de vloeren en wanden op een willekeurig meetpunt niet kleiner is dan:


Indien de weer­stand op een willekeurig punt kleiner is dan de aangegeven waarde, moeten de vloeren en wanden als vreemd geleidende delen worden beschouwd.
 

Bescherming tegen statische elektriciteit

Ter voorkoming van statische opladingen zijn de volgende maatregelen te treffen:

  • het installeren van een luchtbehandelingsinstallatie waar een relatieve vochtigheid van minstens 50% wordt gehandhaafd (veelal is de controle en naleving hiervan moeilijk te verwezenlijken);
  • het toepassen van een geleidende vloer.


In de NEN 3134 werd de eis gesteld dat de doorgangsweerstand van een geleidende vloer minstens 50 kΩ dient te bedragen. Tevens werd als eis gesteld dat per meetpunt de doorgangsweerstand niet minder dan 20 kΩ en niet meer dan 1 MΩ mag zijn. De hoge waarde van 1 MΩ komt doordat statische opladingen veelal ladingen zijn van hoge spanningen met een relatieve lage energie-inhoud. De statische ladingen moeten snel en beheerst worden afgevoerd.

 

In de nieuwe bepaling 710 zijn de eisen met betrekking tot bescherming tegen statische oplading niet meer opgenomen. In de toelichting wordt verwezen naar een internationale norm. In deze norm wordt alleen een bovengrens van 1 MΩ genoemd, wat ook veel logischer is omdat er sprake is van een IT-stelsel in het gebied dat als groep 2 is ingedeeld.


Om bescherming tegen zowel indirecte aanraking als statische elektriciteit te verkrijgen, zullen geleidende vloeren worden toegepast waar de doorgangsweerstand maximaal 50 kΩ bedraagt. Is de weerstand hoger dan 50 kΩ, dan dient een geïsoleerde vloer voor bescherming tegen indirecte aanraking. Daarnaast zijn de beschermingsmaatregelen zoals hieboven genoemd van toepassing.

Voedingsbronnen

Aan de voeding van elektrische apparatuur, toestellen en dergelijke van medisch gebruikte ruimten groep 1 en 2 worden bijzondere eisen gesteld. Binnen een specifieke tijd en een vooraf bepaalde omschakelperiode dient bij een storing van de normale voedingsbron de voeding door een noodvoorziening te worden overgenomen. De elektrische installaties voor veiligheidsdoeleinden worden ingedeeld in de volgende omschakelperiodes:
1.    omschakelperiode van 0, 5 seconde of minder;  
2.    omschakelperiode van 15 seconden of minder;  
3.    omschakelperiode van meer dan 15 seconden.  

Voor de systemen met bovengenoemde omschakelperiodes gelden de volgende algemene eisen:

  • Indien de spanning van een van de fasen met meer dan 10% daalt ten opzichte van nominale spanning, moet de voeding voor veiligheidsdoeleinden automatisch de voeding overnemen.
  • Wandcontactdozen die op de voeding van veiligheidsdoeleinden zijn aangesloten, dienen duidelijk herkenbaar te zijn.
  • Leidingsystemen in medisch gebruikte ruimten groep 1 en 2 mogen uitsluitend worden gebruikt voor de voeding van toestellen en armaturen in de betreffende ruimten.


Daarnaast gelden onderstaande eisen voor de elektrische installaties voor veiligheids­doeleinden.
 

Omschakelperiode van 0, 5 seconde of minder

De elektrische installatie voor veiligheidsdoeleinden moet minstens 3 uur de voeding blijven verzorgen voor operatielampen en andere belangrijke lichtbronnen, zoals endoscopen en dergelijke. De installatie moet de voeding herstellen binnen een omschakelperiode van 0,5 seconde. In deze situaties kan een UPS-systeem uitkomst bieden. In onderstaande afbeelding is een opstelling van een UPS-systeem weergegeven.


Opstelling van een UPS-systeem.
 

Omschakelperiode van 15 seconden of minder

Indien de spanning van een van de fasen gedurende 3 seconden met meer dan 10% daalt ten opzichte van nominale spanning, moet de voeding voor veiligheidsdoeleinden automatisch binnen 15 seconden zijn omgeschakeld. De voeding voor veiligheidsdoeleinden moet gedurende 24 uur het aangesloten materieel kunnen voeden. In deze situaties kan een UPS-systeem uitkomst bieden. In onderstaande afbeelding is een opstelling van een noodstroomaggregaat weergegeven.
 

Opstelling van een noodstroomaggregaat
Opstelling van een noodstroom­aggregaat.

 

Omschakelperiode van meer dan 15 seconden

Deze eis geldt voor het overige elektrische materieel dat noodzakelijk is om de diverse processen in het ziekenhuis in stand te houden, zoals:

  • sterilisatieapparatuur;
  • technische installaties; luchtbehandeling, koelsystemen, verwarming en ventilatie, gebouwbeheer, afvalverwijdering en dergelijke;
  • keukenvoorzieningen en dergelijke.

Isolatiebewaking

Hierbobven  is stilgestaan bij de medische IT-stelstels en de bewaking van de secundaire zijde. Het secundaire circuit van dit stelsel kan worden beschouwd als een IT-stelsel ofwel een zwevend net. Veelal worden deze stelsels toegepast om een of meer van de volgende redenen:

  • bedrijfscontinuïteit;
  • persoonsbescherming;
  •  brandpreventie.

 

De isolatiewaarde van het secundaire circuit is meestal zeer hoog, zodat bij een fout in het secundaire circuit geen gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. De isolatiebewaking heeft als doel: continu controleren of het secundaire circuit nog steeds aan de gestelde eisen voldoet. Indien de waarde van het secundaire circuit niet meer voldoet aan de ingestelde waarde, zal een het toestel een alarmsignaal moeten afgeven. Bij de isolatiebewaking wordt uitgegaan van een ohmse meting.

Beveiliging

Transformatoren die worden toegepast als voedingsbron van SELV-, PELV-of MES-ketens, moeten zijn beveiligd tegen overbelasting en kortsluitstroom.

 

Beveiliging tegen overbelasting

Aan de secundaire zijde moeten de transformatoren worden beveiligd door middel van installatieautomaten met een C-karakteristiek die voldoen aan InInts, waarbij In de nominale stroom van de installatieautomaat is en Ints de nominale secundaire stroom van de transformator is.

 

Beveiliging tegen kortsluitstroom

Aan de primaire zijde moeten de transformatoren worden beveiligd door middel van trage smeltpatronen of installatieautomaten met een C-karakteristiek die voldoen aan In ≈ 2 × Intp, waarbij In de nominale stroom van de trage smeltpatroon is en Intp de nominale primaire stroom van de transformator is. Het bovenstaande is niet van toepassing, indien er speciale voorzieningen zijn getroffen, waardoor de inschakelstroom zodanig wordt beperkt dat een vermogensschakelaar met een C-karakteristiek kan worden toegepast die voldoet aan In ≈ Intp, waarbij In de nominale stroom van de installatieautomaat is en Intp de nominale primaire stroom van de transformator is. De beveiliging aan de secundaire zijde mag dan niet worden toegepast.

Elektrisch materieel

Verlichting

De verlichtingsarmaturen in medisch gebruikte ruimten groep 1 en of 2 moeten minstens via twee eindgroepen worden gevoed uit twee verschillende voedingsbronnen, waarvan één voor veiligheidsdoeleinden. Daarnaast moet in vluchtwegen een op elke twee armaturen zijn aangesloten op de elektrische installatie voor veiligheidsdoeleinden.

 

Wandcontactdozen algemeen

De beschermingscontactdozen van wandcontactdozen in medisch gebruikte ruimten moeten een contactdruk bezitten van minstens 10 N en hoogstens 20 N. De wandcontactdozen dienen, indien de ruimte met vocht wordt schoongemaakt, op een hoogte van 0,25 m vanaf de vloer te worden aangebracht. De wandcontactdozen op elke patiëntenbehandelplaats moeten worden gevoed door twee afzonderlijke eindgroepen. Wandcontactdozen en/of elektrisch materieel moeten zijn aangebracht op een afstand van minstens 0,20 m horizontaal (hart op hart) van medische gasafnamepunten om het ontstekingrisico van brandbare gassen te minimaliseren. Tevens mogen deze voorzieningen niet onder de gasafnamepunten worden aangebracht.

 

Wandcontactdozen en elektrisch materieel in medisch gebruikte ruimten groep 1

Per opstelplaats voor een bed of per behandelplaats moeten minstens zes wandcontactdozen zijn aangebracht en deze moeten over twee eindgroepen zijn verdeeld. Wandcontactdozen en verplaatsbaar elektrisch materieel die worden toegepast in medisch gebruikte ruimten groep 1, moeten deel uitmaken van MES-ketens of van SELV- of PELV-ketens.

 

Wandcontactdozen en verplaatsbaar elektrisch materieel in medisch gebruikte ruimten groep 2

Per opstelplaats voor een bed of per behandelplaats moeten minstens acht wandcontactdozen zijn aangebracht en deze moeten over twee onafhankelijke voedingsbronnen of onafhankelijke transformatoren zijn verdeeld. Wandcontactdozen en verplaatsbaar elektrisch materieel die worden toegepast in medisch gebruikte ruimten groep 2, moeten deel uitmaken van medische IT-stelsels of van SELV- of PELV-ketens. Dit geldt niet voor elektrisch materieel wat buiten het patiëntengebied is aangesloten.

Noodverlichting en overige apparatuur

Noodverlichting

De vereiste noodverlichting moet op een noodstroominstallatie zijn aangesloten voor veiligheidsdoeleinden. De noodstroominstallatie moet binnen 15 seconden na inschakeling het vereiste vermogen kunnen leveren. Deze bepaling geldt niet voor noodverlichtingstoestellen met ingebouwde batterijen. Op de volgende plaatsen moet worden gezorgd dat de minimaal vereiste verlichtingssterkte aanwezig is bij het uitvallen van de voeding:

  • vluchtwegen;
  • verlichting van de aanduidingen van uitgangen;
  • in ruimten voor schakel- en verdeelinrichtingen voor noodstroomgeneratoren;
  • in ruimten waar schakel- en verdeelinrichtingen zijn opgesteld voor de voeding van de elektrische installatie voor veiligheidsdoeleinden;
  • ruimten voor essentiële diensten (in elke ruimte moet minstens één armatuur worden gevoed vanuit de elektrische installatie voor veiligheidsdoeleinden).

 

Overige apparatuur

Naast noodverlichting zijn er andere voorzieningen die moeten worden aangesloten op de voeding voor veiligheidsdoeleinden:

  • speciaal aangewezen liften voor brandweer;
  • ventilatiesystemen voor de rookafvoer;
  • oproepsystemen;
  • medische elektrische toestellen voor gebruik in medische ruimten groep 1 en 2 ten be­hoeve van chirurgische of andere ingrepen die van vitaal belang zijn;
  • elektrisch materieel voor de voeding van de toevoer van gassen voor medisch gebruik, inclusief perslucht, vacuümvoorziening en afzuiging van narcosemiddelen en bewakings­apparatuur;
  • brandmelders, brandalarmen en brandblussystemen.


De omschakelperiode voor deze voorzieningen is 15 seconden.

Schema’s, documentatie en bedieningsinstructies

Van de elektrische installatie moeten de volgende bescheiden aan de gebruiker ter beschikking worden gesteld:

  • ontwerpen van de elektrische installatie;
  • verslagen;
  • tekeningen, schema’s;
  • instructies voor bediening en onderhoud;
  • overige informatie die van belang is voor de gebruiker.


Daarnaast moet een lijst met toestellen die permanent zijn aangesloten op de elektrische installatie voor veiligheidsdoeleinden aan de gebruiker ter beschikking worden gesteld.


Van de toestellen moet de stroom onder normale omstandigheden worden aangegeven.
Indien op de voeding voor veiligheidsdoeleinden motoren zijn aangesloten, moet eveneens de aanloopstroom worden vermeld. Van de elektrische installatie moet een logboek met alle beproevingen en inspecties die voor inbedrijfstelling zijn uitgevoerd eveneens aan de gebruiker ter beschikking worden gesteld.

Inspectie

Inspectie voor ingebruikstelling

Naast de reguliere eisen met betrekking tot de inspectie van nieuwe elektrische installaties, zijn er aanvullende eisen die specifiek van toepassing zijn op elektrische installaties in medische ruimten.
 

Aanvullende eisen

Het gaat bij de bovengenoemde aanvullende eisen om:

  • functionele beproeving van de isolatiebewakingstoestellen van MES-ketens;
  • functionele beproeving van de akoestische/visuele alarmsystemen;
  • meten van de lekstroom van SELV-, PELV-en MES-ketens;
  • meten of de aanvullende potentiaalvereffening voldoet aan het hierboven gestelde;
  • meten van de impedantie van de vereffeningsleidingen;
  • meten van de aanrakingsspanning;
  • controleren of de centrale aardrail in de nabijheid van de medische ruimte is ondergebracht. De aansluitingen moeten duidelijk zichtbaar en afzonderlijk worden losgenomen;
  • controleren of wordt voldaan aan de eisen zoals hierboven gesteld in Voedingsbronnen;
  • meten van de impedantie van geïsoleerd opgestelde delen;
  • meten van de lekstroom van het secundaire circuit van medische beschermingstransformatoren.

 

Periodieke inspectie

De elektrische installaties in medisch gebruikte ruimten dienen in optimale staat van onderhoud te verkeren. Voor de diverse voorzieningen resulteert dit dan ook in een inspectiefrequentie die beduidend anders zal liggen dan bij normale elektrische installaties. In de norm wordt uitgegaan van de volgende inspectiefrequentie voor de diverse voorzieningen:

  • functionele beproeving van omschakelvoorzieningen: 1 × per jaar;
  • functionele beproeving van isolatiebewakingstoestellen: 1 × per jaar;
  • visuele controle van de instellingen van beveiligingen: 1 × per jaar;
  • meten van de aanvullende potentiaalvereffening: 1 × per 2 jaar;
  • controleren of de voor potentiaalvereffening vereiste voorzieningen voldoen aan de eisen: 1 x per 2 jaar;
  • diverse aanbevolen maandelijkse functionele beproevingen zoals:
    • elektrische installaties voor veiligheidsdoeleinden met batterijen: gedurende 15 minuten;
    • elektrische installaties voor veiligheidsdoeleinden met batterijen: capaciteitsproef;
    • elektrische installaties voor veiligheidsdoeleinden met verbrandingsmotoren: tot het bereiken van de nominale bedrijfstemperatuur;
    • elektrische installaties voor veiligheidsdoeleinden met verbrandingsmotoren: gedurende 60 minuten;
    • elektrische installaties voor veiligheidsdoeleinden met verbrandingsmotoren: duur­proef 1 × per jaar.


In alle situaties moet ten minste 80 tot 100% van het toegekende vermogen worden overgenomen:

  • meten van lekstromen van medische beschermingstransformatoren: 1 × per jaar;
  • controleren van de aanspreektijd van aardlekschakelaars bij I∆N: 1 × per jaar.

Gerelateerde veelgestelde vragen