sluiten

Inloggen

Log hieronder in met uw gebruikersnaam en wachtwoord.

Deze ontvangt u van ons bij het afsluiten van een (proef)abonnement.

Nog geen inlog? meld u gratis aan


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een (proef)abonnement?.
Neem dan contact op met BIM Media Klantenservice:

sluiten

Welkom bij de Kennisbank NEN 1010

Om de uitgebreide informatie op de kennisbank te kunnen lezen heeft u een inlogcode nodig. Deze ontvangt u bij het afsluiten van een abonnement.

Waarom Kennisbank NEN 1010 kennisbank

  • Kennis van experts altijd beschikbaar
  • Antwoorden, oplossingen en tools
  • Toevoegen van eigen notities mogelijk
  • Praktijkcases, veelvuldig aangevuld
  • Handige formules en interactieve berekeningen
Neem nu een abonnement >


Abonnement € 350,- per jaar, ieder moment opzegbaar. Meer over een abonnement op NEN 1010

“ De norm is soms lastig te begrijpen. De kennisbank bevat de  complete norm NEN 1010 met links naar de praktische uitleg, waardoor achtergronden van de norm duidelijk worden. ”
 

Jaap Jansen,
Installatie Service Bureau

Inloggen voor abonnees


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een abonnement?
Neem dan contact op met Vakmedianet Klantenservice: 088 58 40 888

Of stuur een e-mail naar: klantenservice@vakmedianet.nl

Ruimten met een publieke functie en bedrijfsruimten (rubriek 718)

Bijeenkomstgebouwen, sportgebouwen en stationsgebouwen zijn vaak objecten waar grote groepen mensen gelijktijdig aanwezig zijn. Daarom worden hier bijzondere eisen gesteld aan de veiligheid van de elektrische installatie.

stadion

Voor een vaak volgepakt station gelden bijzondere veiligheidseisen. Bron www.dreamstime.com

Uitwendige invloeden

Bij dergelijke gebouwen zal ook rekening gehouden moeten worden met de mogelijkheden tot ontruiming in noodsituaties (code BD, zie ook onderstaande tabel).
 

Code

Klasseaanduiding

 Omschrijving

BD1

normaal

Lage bezettingsgraad, eenvoudig te ontruimen

– lage gebouwen (eengezinshuizen)

BD2

moeilijk

moeilijk Lage bezettingsgraad, moeilijk te ontruimen

– hoge gebouwen (flatgebouwen)

BD3

gedrang

Hoge bezettingsgraad, eenvoudig te ontruimen

– ruimten toegankelijk voor publiek (theaters, bioscopen, warenhuizen

BD4

moeilijk en gedrang

Hoge gebouwen toegankelijk voor publiek
(hotels, ziekenhuizen)


Uitwendige invloeden: BD-mogelijkheden van ontruiming in noodsituaties.
 

Bij ontruiming in noodsituaties zal voor de ruimte of het gebouw de code BD2, BD3 of BD4 in plaats van BD1 gelden. De exacte codering wordt vastgesteld door de bevoegde instanties.

Uit de tabel zou kunnen worden afgeleid dat voor een bioscoop altijd de waarde BD3 geldt. Een bioscoop in een hoog gebouw kan echter door de bevoegde instantie ook de waarde BD4 toegewezen worden.
 

De vorm en indeling van veel bijeenkomstgebouwen zullen de uitbreiding van een brand bevorderen. Om het publiek in noodsituaties meer tijd te geven om het pand te verlaten, worden extra eisen gesteld aan het elektrisch materieel in ruimten met een hogere BD-code.
 

Leidingen, met uitzondering van noodzakelijke leidingen, moeten bij voorkeur buiten de vluchtwegen zijn geïnstalleerd. Voor de noodzakelijke leidingen geldt dat ze moeten zijn voorzien van een mantel of omhulsel van moeilijk brandbaar materiaal. Bovendien mag de mantel of het omhulsel bij brand geen zodanige temperatuur bereiken dat naburig materiaal tot ontbranding wordt gebracht binnen de daartoe vastgestelde tijd voor vluchtwegen. Is deze tijd niet voorgeschreven dan moet deze worden gesteld op 30 minuten.
 

Leidingen in vluchtwegen moeten zo kort mogelijk worden gehouden en buiten handbereik zijn aangebracht of tegen mechanische beschadiging zijn beschermd.

In ruimten met code BD3 of BD4 mag schakel-, beveiligings- en besturingsmaterieel slechts toegankelijk zijn voor bevoegde personen, tenzij dit materieel onderdeel uitmaakt van voorzieningen die een ontruiming vergemakkelijken. Wordt dit materieel geplaatst in vluchtwegen dan moet het materieel dezelfde graad van bescherming tegen brand bieden dan het overige materieel in de vluchtwegen.
De constructie of aanvullende maatregelen mogen gedurende de voorgeschreven tijd niet ontbranden of door hoge temperaturen andere materialen laten ontbranden. Ook hier geldt dat, indien de tijd niet is voorgeschreven, deze op 30 minuten moet worden gesteld.
 

Elektrisch materieel met brandbare vloeistoffen mag in ruimten met code BD3 en BD4 niet worden toegepast. Dit geldt niet voor condensatoren van toestellen en motoren, zoals condensatoren voor gasontladingslampen en aanloopcondensatoren.
 

Andere aanpassingen van de uitwendige invloeden die in verband met brandgevaar kunnen plaatsvinden, zijn:

  • aanwezigheid van gemakkelijk brandbaar materiaal:
    • code BE1 wordt BE2;
    • aanvullende bepalingen 482.2 (NEN 1010);
  • aanwezigheid van gemakkelijk brandbare bouwmaterialen:
    • code CA1 wordt CA2;
    • aanvullende bepalingen 482.3 (NEN 1010);
  • aanwezigheid van verhoogde kans op brandverspreiding (bijvoorbeeld door schoorsteeneffect):
    • code CB1 wordt CB2;
    • aanvullende bepalingen 482.4 (NEN 1010).

Schakel- en verdeelinrichting

Allereerste is er ten aanzien van de hoofdschakel- en verdeelinrichting (overgang van verdeelnet naar installatie) de eis gesteld, dat deze in een deugdelijk afgesloten ruimte moet zijn ondergebracht. De toegang tot deze ruimte moet direct nabij de ingang van het object aanwezig zijn of van buitenaf toegankelijk zijn.
Daarnaast is de eis ten aanzien van brandwerendheid gesteld aan de ruimte van de schakel- en verdeelinrichting voor bijeenkomstgebouwen (zoals schouwburgen, bioscopen, concertgebouwen en theaters) ten opzicht van andere ruimten. De brandwerendheid moet minimaal 60 minuten bedragen. De ruimte waarin de schakel- en verdeelinrichting is ondergebracht, moet duidelijk zijn gekenmerkt op goed leesbare opschriften met vermelding waarvoor de schakel- en verdeelinrichting dient.
 

Op de hoofdschakel- en verdeelinrichting (overgang van verdeelnet naar de installatie) moeten de schakel- en verdeelinrichtingen rechtstreeks worden aangesloten voor de voeding van:

  • de verlichting van de publiek toegankelijke ruimten;
  • de toneelruimte;
  • de projectieafdeling.
     

De schakel- en verdeelinrichting waarop de verlichting voor de publiek toegankelijke ruimten is aangesloten, mag niet door het publiek kunnen worden bediend. Dit houdt in dat deze schakel- en verdeelinrichting zodanig moet zijn ondergebracht dat het publiek deze niet kan bereiken. Daarnaast mogen op deze schakel- en verdeelinrichting geen tijdelijke installaties worden aangesloten, behoudens één schakel- en verdeelinrichting.

Preferente groepen

Tevens moeten preferente groepen rechtstreeks voor de hoofdschakelaar van de schakel- en verdeelinrichting worden aangesloten. De preferente groepen dienen ook als zodanig te zijn gekenmerkt, zodat geen verwarring kan ontstaan indien de hoofdschakelaar van de schakelen verdeelinrichting is uitgeschakeld.

 

Afhankelijk van de afmeting van de publiek toegankelijke ruimten wordt het aantal aansluitpunten bepaald. Tot 7 m2 kan worden volstaan met slechts één aansluitpunt. Bij grotere oppervlakten dienen er minstens twee aansluitpunten aanwezig te zijn. In de laatste situatie moet de verlichting over ten minste twee fasen zijn verdeeld en bij toepassing van aardlekschakelaars moeten er eveneens minimaal twee aardlekbeveiligingen zijn toegepast.

Verlichting

Het schakelen van de verlichting is aan bepaalde voorwaarde verbonden. De schakelaars moeten worden gemonteerd op een centrale plaats waar deze niet door het publiek kunnen worden bediend. Dit geldt onder andere voor de verlichting van:

  • vluchtwegaanduidingen;
  • hellingen en treden in looppaden van verblijfsruimten;
  • publiek toegankelijke ruimten waar meer dan vijftig personen verblijven.


Indien deze verlichting is ingeschakeld, moet dit duidelijk worden gesignaleerd. In publiek toegankelijke ruimten waar de verlichting kan worden gedimd, moet er op een eenvoudige wijze voldoende verlichting kunnen worden ingeschakeld. Omdat in toneelruimten vaak het elektrische materieel en de verlichting aan mechanische beschadiging onderhevig is, moeten er speciale maatregelen worden genomen voor de bescherming ervan.

Leidingsystemen en installatie

Er moeten voorzieningen worden getroffen om beschadiging aan leidingen te voorkomen, zeker als deze leidingen gemakkelijk beschadigd kunnen raken. Buigzame leidingen moeten bij voorkeur van het type zware rubbermantel leidingen zijn die slijtvast zijn. Daarnaast moeten de buigzame leidingen in de publiek toegankelijke delen zijn beschermd tegen mechanische beschadiging.

Noodstroominstallaties voor veiligheidsdoeleinden

In hoofdstuk 56 Keuze en installatie van elektrisch materieel – Veiligheidsvoorzieningen van de NEN 1010: 2015 zijn de veiligheidsbepalingen opgenomen voor onder andere noodstroominstallaties voor veiligheidsdoelstellingen. Deze moeten de energievoorziening gedurende een voorgeschreven tijd overnemen na het wegvallen van de normale energievoorziening. De tijd dat de noodstroominstallatie energie moet leveren, is afhankelijk van de omstandigheden en wordt door de bevoegde instanties voorgeschreven. Als de noodstroominstallatie ook tijdens een brand moet functioneren, zijn beschermingsmaatregelen tegen brand nodig om de installatie de voorgeschreven tijd te kunnen laten functioneren. Deze zijn te realiseren door gebruik van aangepaste constructiematerialen en/of de wijze van installeren.
 

Door het toepassen van IT-stelsels kan bescherming tegen elektrische schok geboden worden zonder dat de installatie uitschakelt bij een eerste defect. De IT-stelsels moeten wel worden voorzien van isolatiebewakingstoestellen met een akoestische en optische signalering.
 

In verband met periodieke inspecties, onderhoud en beproevingen, dient de noodstroominstallatie goed toegankelijk te zijn.
 

Noodstroominstallaties voor veiligheidsdoeleinden moeten voedingsbronnen hebben die:

  • vast zijn opgesteld;
  • niet nadelig beïnvloed worden door een defect in de normale energievoorziening.


Startbatterijen zijn door hun constructie vaak niet geschikt als voedingsbron.
 

Voor elektrisch materieel dat niet gevoed wordt door ingebouwde batterijen gelden voor de voedingsbron de volgende bepalingen:

  • De voedingsbronnen voor noodstroominstallaties moeten ondergebracht zijn in een ruimte die:
    • alleen toegankelijk mag zijn voor voldoend onderrichte personen, bevoegde personen en laagspanningsdeskundigen;
    • voldoende geventileerd moet zijn;
    • zodanig is afgedicht dat afvoergassen, rook en damp van de voedingsbronnen andere ruimten waarin zich personen bevinden niet mogen binnendringen.

 

De ruimte moet bij voorkeur afgesloten kunnen worden. Het is echter ook mogelijk passende organisatorische maatregelen te nemen om de toegankelijkheid van de ruimte te beheren.

  • De voedingsbronnen van noodstroominstallaties mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt, tenzij bij het uitvallen van één voeding voldoende vermogen beschikbaar blijft om alle veiligheidsvoorzieningen in te schakelen en in bedrijf te houden. Het is hierdoor mogelijk dat elektrisch materieel dat niet bij de veiligheidsvoorzieningen is betrokken automatisch wordt uitgeschakeld bij het onderbreken van de normale energievoorziening. Betreft dit gevaarlijke apparatuur dan mogen deze bij het opnieuw inkomen van de normale energievoorziening niet automatisch worden geactiveerd.
  • Afzonderlijke voedingsleidingen aangesloten op verdeelnetten mogen alleen worden toegepast indien gelijktijdige onderbreking van de voedingen onwaarschijnlijk is.


Voedingsnetten moeten onafhankelijk zijn van andere installaties. Dit houdt in dat een elektrisch defect, ingreep of wijziging in de ene installatie de goede werking van de andere installaties niet nadelig mag beïnvloeden.
Onder een voedingsnet wordt hier begrepen het deel van de noodstroominstallatie voor veiligheidsdoeleinden tussen de klemmen van de voedingsbron en de klemmen van rechtstreeks hierop aangesloten elektrisch materieel of van die delen van de installatie die door de noodstroominstallatie moeten worden gevoed.
 

Om de onafhankelijkheid te waarborgen, kan het nodig zijn een scheiding aan te brengen:

  • met behulp van brandwerend materiaal;
  • door een afzonderlijk brandwerend omhulsel of
  • door de leiding afzonderlijk te leggen.


Bij de aanwezigheid van gemakkelijk brandbaar materiaal in de ruimte (code E2 of E3) worden extra eisen gesteld aan de brandwerendheid van leidingen van voedingsnetten. Bij code E2 is het wenselijk om de leidingen van het voedingsnet buiten de ruimten met code E2 te houden. In ruimten met code E3 mogen alleen leidingen van voedingsnetten aanwezig zijn die dienen voor de voeding van elektrisch materieel in de betreffende ruimten.
 

Beveiligingen tegen overbelastingsstroom mogen achterwege worden gelaten. Is wel beveiliging tegen overstroom toegepast dan mag overstroom in één groep de goede werking van andere groepen van het voedingsnet niet nadelig beïnvloeden.
 

Schakel- en verdeelinrichtingen moeten worden geplaatst in ruimten die uitsluitend toegankelijk zijn voor voldoend onderrichte personen, bevoegde personen en laagspanningsdeskundigen. De schakel- en verdeelinrichtingen dienen een duidelijke markering te hebben. Hetzelfde geldt voor de bedieningstoestellen en de alarmtoestellen. Het heeft de voorkeur om alarmtoestellen buiten de ruimte aan te brengen.

Wat het beperken van de toegang tot de ruimte betreft, kan worden gekozen voor:

  • passende organisatorische maatregelen of
  • afsluiting met een slot.


Verlichtingstoestellen moeten zo zijn gekozen dat de voorgeschreven verlichtingssterkte voor de noodverlichting na overschakeling op de noodstroomvoorziening is gewaarborgd, rekening houdend met:

  • de onderbrekingstijd;
  • de lampsoorten en eventueel hun ontstekingstijden.


Elektrisch materieel dat kan worden gevoed door meer dan één voedingsbron dient zo te zijn geïnstalleerd dat de bescherming tegen elektrische schok en de goede werking niet nadelig worden beïnvloed door een defect in een van de voedende installaties. Dergelijk materieel moet zijn aangesloten op de beschermingsleidingen van alle betrokken installaties (zowel noodstroominstallaties als gewone installaties).
 

Indien voedingsbronnen van noodstroominstallaties voor veiligheidsdoeleinden niet in parallel bedrijf kunnen worden bedreven, zijn voorzieningen nodig om deze situatie te voorkomen. Dit is bijvoorbeeld mogelijk door mechanische vergrendeling. Bescherming tegen indirecte aanraking en beveiliging tegen
kortsluitstromen moeten voor iedere voedingsbron zijn gewaarborgd.
 

Waar nodig is het verplicht om voorzieningen te treffen om vereffeningsstromen in de verbindingen tussen de nulklemmen van de voedingsbronnen te beperken. Dit geldt in het bijzonder in situaties waar harmonischen kunnen optreden, zoals de derde harmonische bij verlichtingsinstallaties met gasontladingslampen.

Gerelateerd aan Ruimten met een publieke functie en bedrijfsruimten (rubriek 718)

Meer over