sluiten

Inloggen

Log hieronder in met uw gebruikersnaam en wachtwoord.

Deze ontvangt u van ons bij het afsluiten van een (proef)abonnement.

Nog geen inlog? meld u gratis aan


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een (proef)abonnement?.
Neem dan contact op met BIM Media Klantenservice:

sluiten

Welkom bij de Kennisbank NEN 1010

Om de uitgebreide informatie op de kennisbank te kunnen lezen heeft u een inlogcode nodig. Deze ontvangt u bij het afsluiten van een abonnement.

Waarom Kennisbank NEN 1010 kennisbank

  • Kennis van experts altijd beschikbaar
  • Antwoorden, oplossingen en tools
  • Toevoegen van eigen notities mogelijk
  • Praktijkcases, veelvuldig aangevuld
  • Handige formules en interactieve berekeningen
Neem nu een abonnement >


Abonnement € 350,- per jaar, ieder moment opzegbaar. Meer over een abonnement op NEN 1010

“ De norm is soms lastig te begrijpen. De kennisbank bevat de  complete norm NEN 1010 met links naar de praktische uitleg, waardoor achtergronden van de norm duidelijk worden. ”
 

Jaap Jansen,
Installatie Service Bureau

Inloggen voor abonnees


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een abonnement?
Neem dan contact op met Vakmedianet Klantenservice: 088 58 40 888

Of stuur een e-mail naar: klantenservice@vakmedianet.nl

NPR 5310, Praktijkrichtlijn bij NEN 1010

Het Nederlands Normalisatie-instituut NEN geeft naast normen ook Nederlandse Praktijkrichtlijnen, NPR’s, uit. De praktijkrichtlijnen geven een verband tussen de technische inhoud van de normen en de dagelijkse praktijk in Nederland. Bij de NEN 1010 is dat de NPR 5310 Nederlandse Praktijkrichtlijn bij NEN 1010.

 

In november 2016 is een nieuwe uitgave van de Nederlandse praktijkrichtlijn, NPR 5310, bij NEN 1010 verschenen. Deze is geactualiseerd en aangepast aan NEN 1010:2015.

 

Een praktijkrichtlijn ontstaat vooral door de vele verzoeken van bijvoorbeeld NEN 1010-gebruikers om nadere uitleg en informatie over hoe de norm moet worden toegepast. Vragen over de NEN 1010 zijn niet nieuw. Bij de 2e druk uit 1962, het bekende ‘oranje boekje’, werden ze al gesteld. Er zijn toen diverse informatiebladen uitgegeven door de Nederlandse energiebedrijven onder verantwoordelijkheid van de vroegere VDEN te Arnhem. Bovendien is er toen al een NPR 5100 uitgegeven door het NNI, de voorloper van het NEN.

 

Ook ontstaan er vragen bij de ontwikkeling van nieuwe installatietechnieken en materialen. In de betreffende norm is daarover vaak nog niets te vinden. Daarom moet er een technische en veilige oplossing worden gezocht in de geest van de norm. In augustus 1998 heeft het NEN deze traditie vormgegeven door het uitgeven van de losbladige NPR 5310.

 

Hieronder vindt u uitleg over de NPR 5310 en een toelichting op de bladen.

Onderdelen van de NPR 5310

Bladen van NPR 5310:2016

Blad 0: Relatie met Nederlandse wetgeving (vervallen)

Blad 1: Het toepassen van 30 mA-aardlekschakelaars in woningen (vervallen)

Blad 2: Installaties opgebouwd met behulp van buigzame leidingen (vervallen)

Blad 3: Slagvaste kunststofbuis (vervallen)

Blad 4: Stelselmatige en overzichtelijke leidingaanleg (centraaldozensysteem) (vervallen)

Blad 5: Het schakelen en scheiden van de nul (vervallen)

Blad 6: Leidingen in badkamerwanden (vervallen)

Blad 7: Consequenties van NEN 1010-6:1997 voor de andere delen van NEN 1010 (vervallen)

Blad 8: Geluidsinstallaties (vervallen)

Blad 9: NEN 1010 is niet/wel van toepassing (vervallen)

Blad 10: Potentiaalvereffening in badruimten (vervallen)

Blad 11: Uitwendige invloeden (vervallen)

Blad 12: Verloop van leidingen in badkamerwanden (vervallen)

Blad 13: Keuze van leidingsystemen (vervallen)

Blad 14: Zone-indeling van badruimten (vervallen)

Blad 15: Zone-indeling van ruimten met zwembassins (vervallen)

Blad 16: Aansluitmogelijkheden in woningen, woonschepen en logiesverblijven in relatie tot de netto-vloeroppervlakte (vervallen)

Blad 17: Consequenties van NEN 1010-7:2000 voor de andere delen van NEN 1010 (vervallen)

Blad 18: Gebruik van acculaadstations (vervallen)

Blad 19: Aardlekbeveiliging van wandcontactdozen buiten (vervallen)

Blad 20: Tweeleidingaftakkingen van een drie- of vierleidinggroep (vervallen)

Blad 21: Installatiemethoden 51 en 52 (vervallen)

Blad 22: Installatiezones en voorkeursmaten (vervallen)

Blad 23 NPR 5310-704 Tijdelijke installaties in de bouw en in de industrie

In dit blad wordt uitvoerig ingegaan op de eisen die voor tijdelijke installaties op bouw en in de industrie zijn gegeven in de rubriek 704 “Tijdelijke installaties op bouw- en sloopterreinen” van NEN 1010:2015+C1:2016. In de inleiding wordt aangegeven waar deze tijdelijke installaties kunnen voorkomen. Uitgebreid worden de eisen besproken van het beveiligen, schakelen en scheiden van de afgaande groepen, de scheiding tussen de vaste en de tijdelijke installatie en de toepassing van aardlekschakelaars. Ook worden de mogelijke problemen behandeld die kunnen ontstaan bij het in serie schakelen van aardlekschakelaars. In diverse figuren is een en ander nader toegelicht. Daarnaast wordt het onderwerp van het aarden van metalen steigers in relatie tot bepaling 411.3.1.2 besproken.

Blad 24: Bouwbesluit (vervallen)

NPR 5310 blad 25 NPR 5310-2: Definities en begripsomschrijvingen

De internationale en enkele Nederlandse definities die betrekking hebben op elektrische laagspanningsinstallaties zijn opgenomen in de NEN 1010:2015.

 

Tevens zijn termen, definities en begripsomschrijvingen opgenomen die afkomstig zijn uit productnormen.

 

Deze zijn:

  • Kenmerken van installaties;
  • Spanningen;
  • Aarding en (potentiaal)vereffening;
  • Elektrische stroomketens;
  • Leidingsystemen;
  • Ander materieel;
  • Schakelen en scheiden.

 

Deze begrippen en definities komen in de dagelijkse praktijk veelvuldig voor.

NPR 5310 blad 26 NPR 5310-2: Stroomketen, distributiegroep en eindgroep

Omdat er in eerdere uitgaven van de NEN 1010 onduidelijkheden waren over de begrippen stroomketen, groep en eindgroep, is in de NEN 1010-1:2015 gekozen voor een vertaling van de Europese definities. Zo is de Europese term ‘circuit’ vertaald in ‘stroomketen’, de definitie ‘distribution circuit’ in ‘distributiegroep’ en de term ‘final circuit’ in ‘eindgroep’.

Deze definities zijn thans opgenomen als bepaling 2.14.01, 2.14.02 en 2.14.03 in de NEN 1010:2015 + C1:2016.

  • Bepaling 2.14.01 geeft voor ‘(elektrische)stroomketen’ de omschrijving: samenstel van elektrisch materieel van de elektrische installatie dat tegen overstroom is beveiligd door hetzelfde beveiligingstoestel of dezelfde beveiligingstoestellen.
  • Bepaling 2.14.02 geeft voor ‘distributiegroep’ de omschrijving: elektrische stroomketen die een of meer schakel- en verdeelinrichtingen voedt.
  • Bepaling 2.14.03 geeft voor ‘eindgroep’ de omschrijving: elektrische stroomketen bestemd om rechtstreeks elektrische stroom te leveren aan elektrische toestellen of contactdozen.


In blad 2 zijn de begrippen met twee figuren nader toegelicht.

NPR 5310 Blad 27 NPR 5310-2: Beschermingsgraden verkregen door omhulsels

Blad 28: Indeling van elektrisch en elektronisch materieel met betrekking tot bescherming tegen elektrische schok (klasse 0 t.m. klasse III) (vervallen)

Blad 29: Overzicht van de edities van NEN 1010 (vervallen)

Blad 30: Wijzigingen en uitbreidingen van bestaande installaties (vervallen)

Blad 31: De grenswaarde van de aanrakingsspanning (vervallen)

Blad 32: De grenswaarde van de weerstand RA bij gebruik van aardlekschakelaars in TT-stelsels (vervallen)

Blad 33: Toepassen van beschermende vereffening (vervallen)

Blad 34: Het toepassen van 30 mA-aardlekschakelaars (vervallen)

Blad 35: De weerstand naar aarde en de circuitimpedantie in TT-stelsels (vervallen)

Blad 36: Beschermingsmaatregelen tegen overstroom in ander materieel dan leidingen (vervallen)

NPR 5310 Blad 37 NPR5310-536: Scheiden en schakelen 2016-10

In dit blad wordt ingegaan op de veranderde eisen voor scheiden en schakelen zoals die in hoofdstuk 536, ‘Schakelen en scheiden’, zijn opgenomen in de NEN 1010:2015. Blad 37 geeft uitleg over de begrippen scheiden en schakelen en over het scheiden en schakelen met één toestel (zie tabel). Verder wordt ingegaan op de eisen die gesteld worden aan scheiders. Er wordt uitleg gegeven over het scheiden en schakelen in het algemeen bij bedieningswerkzaamheden en elektrotechnische werkzaamheden.

 

Stroomstelsel

Vierleidinginstallatie

Drieleidinginstallatie

Tweeleidinginstallatie

TN-C

driepolig

driepolig

éénpolig

TN-S

drie- of vierpolig [?]

driepolig

tweepolig

TT

vierpolig

driepolig

tweepolig

IT

vierpolig

driepolig

tweepolig

Samenvatting van schakelen en scheiden in elektrische installaties.

 

Op grond van bepaling 536.2.1.1 moet elke stroomketen kunnen worden gescheiden van elke actieve geleider van de voeding. Dat betekent dat in alle fasen en de nul een veilige scheiding tot stand moet kunnen worden gebracht. Een uitzondering hierop is de PEN-leiding in een TN-C-stelsel. Deze leiding die de functie van beschermingsleiding (PE) en nul in zich verenigt, mag niet worden geschakeld of gescheiden omdat de PE niet mag worden onderbroken. De nulleider hoeft niet te kunnen worden geschakeld of gescheiden, indien de netbeheerder verklaart dat de nul van de voeding op betrouwbare wijze via een voldoende lage weerstand met aarde is verbonden. Dit wordt ook wel genoemd: de voorwaarde dat de nul nagenoeg aardpotentiaal behoudt. Dit zal het geval zijn als onder normale omstandigheden de spanning op de nul ten opzichte van aarde niet boven 12 V komt.

 

Blad 37 bevat een tabel waarin is opgenomen hoeveel polig moet worden geschakeld en gescheiden bij de diverse stelsels en eindgroepen.
Schakel- en verdeelinrichtingen moeten op basis van bepaling 536.2.1.5 in zijn geheel door één lastscheider kunnen worden geschakeld en gescheiden. Dat wil zeggen vóór elke verdeelinrichting moet een hoofdschakelaar zijn aangebracht. De uitzondering die gold voor woonhuisinstallaties is komen te vervallen. Op deze hoofdregel zijn drie uitzonderingen gemaakt:

  • voor een verdeelinrichting aangesloten op meerdere voedingen;
  • voor preferente groepen die vóór de hoofdschakelaar mogen worden afgetakt;
  • voor de mogelijkheid van het scheiden van groepen voor verlichting en voor andere groepen, de zogenaamde scheiding licht en kracht.
  • Dit laatste geval is niet meer gebonden aan een beveiligingswaarde van 50 A, maar aan het veilig kunnen werken aan de verdeelinrichting met behoud van verlichting.

 

Voor distributiegroepen en eindgroepen geldt als hoofdregel dat deze elk moeten zijn voorzien van een lastscheider waarmee alle fasen en de nul kunnen worden geschakeld en gescheiden. Dit wordt de groepsschakelaar genoemd. Op deze hoofdregel bestaan twee uitzonderingen:

  • voor tweeleidingaftakkingen voor hulpstroomketens aangebracht in of op een schakel- en verdeelinrichting, mits deze aftakkingen deel uitmaken van de eindgroep waartoe zij functioneel behoren;
  • voor tweeleidingaftakkingen voor meetinstrumenten in of op de schakel- en verdeelinrichting.

 

Voor elektrisch materieel met uitzondering van leidingsystemen geldt dat elk stuk materieel in zijn geheel door één lastscheider moet kunnen worden geschakeld en gescheiden. Dit geldt dus voor transformatoren, verbruikende toestellen en motoren. Op deze hoofdregel zijn vijf uitzonderingen mogelijk:

  • energietransformatoren en energieomzetters die uitsluitend in parallelbedrijf kunnen worden gebruikt. Deze moeten dan gezamenlijk worden geschakeld en gescheiden;
  • energietransformatoren of energieomzetters die uitsluitend samen met een generator kunnen worden gebruikt;
  • elektrisch materieel met een nominaal vermogen van ten hoogste 0,5 kVA dat is aangesloten op een eindgroep met een beveiliging tegen overstroom van ten hoogste 25 A;
  • elektrisch materieel dat is aangesloten door middel van stopcontacten met een nominale stroom van ten hoogste 16 A;
  • transformatoren voor meet- en hulpstroomketens. 

 

Blad 38: Regels voor het bepalen van Zs en RA bij schakel- en verdeelinrichtingen in TT-stelsels (vervallen)

NPR 5310 Blad 39 NPR5310-514: Aanduiding van draden en aders van leidingen

In rubriek 514.3 in de NEN 1010:2015+C1:2016 zijn de kleuren aangegeven van geïsoleerde draden en aders. Binnen Europa zijn in 2001 de aderkleuren van kabels en buigzame leidingen geharmoniseerd in het harmonisatiedocument HD 308 S2:2001. Binnen Europa zijn nu de toepassing van aderkleuren voor kabels en buigzame leidingen gelijk. Het harmonisatiedocument geldt voor kabels en leidingen met maximaal vijf aders. Voor Nederland betekent dit de introductie van de kleur grijs voor de derde fase, dat was zwart. Verder is lichtblauw veranderd in blauw.

De functies voor de gekleurde aders en draden zijn nu:

  • groen-geel voor de beschermingsleiding (PE, PU en PEN);
  • blauw voor de nulleiding;
  • bruin voor de fasedraad of faseader of schakelader;
  • zwart voor de fasedraad of faseader of schakeldraad of -ader;
  • grijs voor de fasedraad of faseader of schakeldraad of -ader.

 

Voor kabels en buigzame leidingen met twee tot en met vijf aders geldt nu de aanduiding door kleuren in onderstaande tabel.

Deze tabel is overgenomen uit blad 39 van de NPR 5310.

 

Aantal aders

Kleur van de aders

Kabels en buigzame leidingen met een groen-gele ader

 

bescherming

actief

3

groen-geel

blauw

bruin

-

-

4 [?]

groen-geel

-

bruin

zwart

grijs

5

groen-geel

blauw

bruin

zwart

grijs

Kabels en buigzame leidingen zonder een groen-gele ader

2

blauw

bruin

-

-

-

3 [?]

-

bruin

zwart

grijs

-

4

blauw

bruin

zwart

grijs

-

5

blauw

bruin

zwart

grijs

zwart

Aantal en kleuren van aders.

 

Het is niet meer toegestaan de groen-gele ader toe te passen als fase- of schakelader. De oude bepaling 8.514.3.104 is vervallen. Blauwe aders mogen bij afwezigheid van de nul, voor andere doeleinden worden gebruikt, maar niet als beschermingsleiding, zie bepaling 514.3.5.4.

 

In blad 39 is ook een tabel opgenomen waarin een overzicht wordt gegeven van de oude en de nieuwe kleuraanduiding van draad, kabels en buigzame leidingen. 

Blad 40: Consequenties van NEN 1010-1:2003 en NEN 1010-4:2003 voor de andere delen van NEN 1010 (vervallen)

Blad 41: Aansluiten van de kookgroep (vervallen)

NPR 5310 Blad 42 NPR5310-536: Veiligheidsketens

Dit blad behandelt de veiligheidsketens die betrekking hebben op het uitschakelen van stroomketens bij niet-elektrotechnisch onderhoud. Veiligheidsketens zijn stuurstroomketens die door hun specifieke opbouw, de betrouwbaarheid van stroomketens moeten waarborgen. Het gaat hierbij om de stroomketens die voorzien zijn van werkschakelaars, noodstops, hekschakelaars en andere veiligheidsvoorzieningen. In veel gevallen gaat de voorkeur uit naar het schakelen in de hoofdstroom omdat dat veelal de grootste betrouwbaarheid geeft. Bij grotere vermogens, dus grotere stromen, wordt echter vaak gekozen voor een stuurstroomoplossing.

 

In bepaling 536.3.2.1 in NEN 1010:2015 wordt aangegeven dat bij een stuurstroomoplossing mogelijk aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de veiligheid te garanderen. In een aantal figuren wordt in blad 42 een en ander schematisch aangegeven. 

NPR 5310 Blad 43 NPR5310-43: Het beveiligen van parallel geschakelde leidingen

Leidingen moeten tegen overbelastingsstroom en kortsluitstroom zijn beveiligd. Er moet namelijk vermeden worden dat de leiding wordt beschadigd door een overbelastingsstroom of kortsluitstroom die te lange tijd aanwezig is. Voor een enkele leiding zijn in rubriek 433 van NEN 1010 de eisen weergegeven voor de beveiliging tegen overbelastingsstroom. In rubriek 434 staan de eisen voor de beveiliging tegen kortsluitstroom.

 

In de informatieve bijlage 43.A is een verdere uitwerking opgenomen van het beschermen tegen overstroom van parallel geschakelde leidingen.

 

In blad 43 van de NPR 5310 wordt achtereenvolgend ingegaan op:

  • beveiliging tegen overbelasting met een gemeenschappelijke of afzonderlijke beveiligingen;
  • beveiligingen tegen kortsluitstromen met een gemeenschappelijke en afzonderlijke beveiligingen;
  • maximale lengte bij toepassing van parallelle leidingen.

Blad 44: Medisch gebruikte ruimten in woningen (vervallen)

Blad 45: Medisch gebruikte ruimten in diergeneeskundige klinieken en praktijken van dierenartsen (vervallen)

Blad 46: Potentiaalvereffening in medisch gebruikte ruimten (vervallen)

Blad 47: Railkokersystemen (vervallen)

NPR 5310 Blad 48 NPR5310-522: Keuze van installatie van leidingsystemen afhankelijk van uitwendige invloeden

Blad 48 behandelt de ondersteuning van leidingen en het trekken van installatiedraad in buis.

 

Ondersteuning van leidingen

Bij de aanleg van leidingen moet rekening worden gehouden met de uitwendige invloeden die kunnen optreden, zoals de mechanische belasting van een leiding. Een van de aspecten waarmee rekening moet worden gehouden, is dat leidingen niet door hun eigen gewicht mechanisch mogen beschadigen en deze dus horizontaal en verticaal moeten zijn ondersteund. Op basis van de eigenschappen van buizen, kabels en buigzame leidingen geeft dit blad een overzicht van de vereiste afstanden tussen de ondersteuningen. De stugheid van de leidingen is maatgevend voor de afstand van de aan te brengen ondersteuningen zoals beugels en zadels.

 

Volgens bepaling 522.8.4 van NEN 1010 moeten leidingen die niet over de gehele lengte worden ondersteund, met daarvoor geschikte hulpmiddelen op passende afstanden deugdelijk worden ondersteund zodat zij niet door hun eigen gewicht worden beschadigd. Zo wordt in dit blad aandacht besteed aan de ondersteuningen van de diverse leidingtypes. In de paragraaf ‘uitvoering’ staat onder andere dat aan weerszijden van hulpstukken, zoals lasdozen en dergelijke, op een afstand van 10 cm of minder een bevestigingsmiddel behoort te zijn aangebracht. Voor buizen wordt onder een deugdelijke ondersteuning veelal de volgende afstand tussen twee opeenvolgende bevestigingsmiddelen als maximum aangegeven:

 

Soort buis

Aanleg verticaal

m

Aanleg niet-verticaal

m

Stalen buis volgens NEN 1251

1

1

PVC-buisvolgens NEN 3174

Halogeenvrije buis volgens NEN-EN 500086

0,5

0,4

Flexibele buis volgens NEN 3530

0,4

0,3

 

Bij deze tabel wordt de opmerking gemaakt dat bij flexibele- en pvc-buizen een bevestigingsmiddel aan weerszijden van de bocht moet zijn aangebracht. De afstanden gelden niet voor buizen die in metsel- of stucwerk of in beton worden aangebracht. Hierbij kan bij de aanleg worden volstaan met een voorlopige bevestiging. Voor kabels is in dit praktijkblad de volgende tabel opgenomen:

 

Soort kabel

Aanleg verticaal

m

Aanleg niet verticaal

m

Kabels zonder bewapening met een

koperdoorsnede van 6 mm2 of minder

0,4

0,3

Overige soorten kabels

1

1

 

Voor buigzame leidingen vermeld het blad het volgende. Buigzame leidingen moeten in overeenstemming met tabel 52F uit NEN 1010-5:1996, of tabel 52A uit NEN 1010:2007 + C1:2008, worden geïnstalleerd in buis, op een kabelgoot of in een kabelkoker. Dit betekent dat buigzame leidingen in principe over de gehele lengte worden ondersteund. Daarom zijn bevestigingsafstanden voor buigzame leidingen in principe niet nodig. Indien een buigzame leiding echter niet over de gehele lengte wordt ondersteund, bijvoorbeeld boven een verlaagd plafond, behoren afstanden tussen de bevestigingsmiddelen volgens onderstaande tabel te worden gehanteerd.

 

Middellijn van de leiding

mm

Maximum afstand tussen ondersteuningen

m

groter dan

tot en met

verticaal

niet-verticaal

 

9

0,40

0,25

9

15

0,40

0,30

15

20

0,45

0,35

20

40

0,55

0,40

40

60

0,60

0,45

Deze tabel is afgeleid van NPR 3627.

 

Dit blad geeft echter geen antwoord over de toepassingsmogelijkheden van vrijhangende buigzame leidingen zoals VMvL, RMrL en RMcLz in spouwmuren, verticale kabelschachten in gebouwen en bijvoorbeeld lichtmasten en dergelijke toepassingen. Mogelijk dat in de toekomst hierover nog een aanvulling komt op dit praktijkblad bij de NEN 1010.

NPR 5310 BLAD 49 NPR5310-522: Het trekken van installatiedraad in buis

Bij het trekken van draad in buis moet rekening worden gehouden met de mechanische krachten die tijdens het draadtrekken op de leidingen worden uitgeoefend. Deze krachten moeten beperkt blijven.

 

Daarom stelt bepaling 522.8.6 dat buizen en kokers voldoende toegankelijk moeten zijn om het trekken van draad mogelijk te maken zonder de leidingen te beschadigen. In blad 49 is de bekende tabel opgenomen over het maximum aantal draden in een buis, uitgaande van de buitenmiddellijn van de buis en de kerndoorsnede van de draad bij maximaal twee bochten in de buis. Verder is aangegeven de maximale straal van bochten in de buis en de vulfactor.

Blad 50: Schema’s, tekeningen, tabellen en bedieningsvoorschriften (vervallen)

Blad 51: Omvang en uitvoering van installaties in woningen, woonschepen en logiesverblijven (vervallen)

Blad 52: Rookmelders in nieuwbouwwoningen (vervallen)

Blad 53: Zone-indeling en beschermingsmaatregelen bij fonteinen (vervallen)

Blad 54: Behandelruimten bij tandartsen en orthodontisten (vervallen)

Blad 55: Distributiegroepen in woningen (vervallen)

Blad 56: Selectiviteit van aardlekschakelaars (vervallen)

Blad 57: Aansluiten van een micro-wkk in woningen (vervallen)

Blad 58: Aanvullende bescherming door 30 mA-aardlekschakelaars (vervallen)

Blad 59: Aanvullende bescherming en foutbescherming met één 30 mA-aardlekschakelaar (vervallen)

Blad 60: Selectiviteit bij kortsluiting (vervallen)

NPR 5310 Blad 61 NPR 5310-523: De warmteweerstandscoëfficiënt van de grond in Nederland en het bepalen van de correctiefactor voor grond

Voor de bepaling van de hoogst toelaatbare stroom van kabels in de grond (direct in de grond of in koker) is kennis nodig van de warmteweerstandscoëfficiënt van de grond en de installatiemethoden ter plaatse. De warmteweerstandscoëfficiënt is afhankelijk van de grondsamenstelling, zoals zand, veen en klei, de dichtheid en het vochtgehalte van de grond. Blad 61 geeft uitleg over de toegepaste termen en definities en over het begrip warmteweerstandscoëfficiënt van de grond in Nederland. Er wordt nader ingegaan op de factoren die hierop van invloed zijn.

 

Het blad geeft een stappenplan aan voor het bepalen van de juiste warmteweerstandscoëfficiënt en de daarmee samenhangende factoren voor het uitvoeren van kabelberekeningen. In een tabel wordt de warmteweerstandscoëfficiënt aangegeven bij diverse grondsoorten en diverse vochtgehalten. Het stappenplan voor het bepalen van de correctiefactoren voor de aanleg in grond wordt nader uitgelegd en met voorbeelden uitgewerkt. Tevens is in dit blad een grondstoffenkaart 2006 van Nederland opgenomen voorzien van kadasterkaart coördinaten.

Blad 62: De classificatie van medisch gebruikte ruimten in de loop der jaren (vervallen)

NPR 5310 Blad 63 NPR5310-521: Flexibel installeren

NPR 5310 blad 64 NPR5310-61: Het beproeven van niet-instelbare toestellen voor aardlekbeveiliging