sluiten

Inloggen

Log hieronder in met uw gebruikersnaam en wachtwoord.

Deze ontvangt u van ons bij het afsluiten van een (proef)abonnement.

Nog geen inlog? meld u gratis aan


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een (proef)abonnement?.
Neem dan contact op met BIM Media Klantenservice:

sluiten

Welkom bij de Kennisbank NEN 1010

Om de uitgebreide informatie op de kennisbank te kunnen lezen heeft u een inlogcode nodig. Deze ontvangt u bij het afsluiten van een abonnement.

Waarom Kennisbank NEN 1010 kennisbank

  • Kennis van experts altijd beschikbaar
  • Antwoorden, oplossingen en tools
  • Toevoegen van eigen notities mogelijk
  • Praktijkcases, veelvuldig aangevuld
  • Handige formules en interactieve berekeningen
Neem nu een abonnement >


Abonnement € 350,- per jaar, ieder moment opzegbaar. Meer over een abonnement op NEN 1010

“ De norm is soms lastig te begrijpen. De kennisbank bevat de  complete norm NEN 1010 met links naar de praktische uitleg, waardoor achtergronden van de norm duidelijk worden. ”
 

Jaap Jansen,
Installatie Service Bureau

Inloggen voor abonnees


Vragen?
Kunt u niet inloggen of heeft u vragen over een abonnement?
Neem dan contact op met Vakmedianet Klantenservice: 088 58 40 888

Of stuur een e-mail naar: klantenservice@vakmedianet.nl

Service & Advies

Redactieleden

Ing. N.J. Kluwen

Ing. N.J. (Nico) Kluwen is manager Meldsystemen bij EFPC B.V... >> Bekijk biografie

Ing. J.C. Hettinga

Ing. J. C. (Johan) Hettinga was vele jaren werkzaam bij het... >> Bekijk biografie

Prof. dr. ir. J.F.G. Cobben

Prof. dr. ir. J.F.G. (Sjef) Cobben (1956) is afgestudeerd... >> Bekijk biografie

Veelgestelde vragen

Aardingsvoorzieningen

In een gebouw bevindt zich een aantal douche-/toiletruimten waarvan de vloer voorzien wordt van een tweecomponentencoating. Deze coating is ongeveer 2 mm dik (Durapur gietvloer). Hoe moeten wij in dit geval met de vloeraarding omgaan? Is het voldoende als wij de bovenwapening in de betonvloer aarden en doorverbinden?

Het is inderdaad voldoende als de bewapening wordt doorverbonden en geaard op het centrale aardpunt in de badruimte. 

Moet een (zee)container geplaatst naast een gebouw, en gevoed vanuit dit gebouw, die dienst doet als tijdelijke opslag, geaard/vereffend worden?

Bij gebruik van een zeecontainer als opslag, en met de toepassing van elektriciteit binnen dit gebouw is het wenselijk om ook de container zelf te verbinden met de binnenkomende vereffeningsleiding. De aarding van de container is vereist volgens bepaling 411.3.2. Het gaat hier om beschermende vereffening. In elk gebouw (zeecontainer wordt als zodanig gebruikt/gezien) moet beschermende vereffening plaatsvinden. In dit geval maakt het metalen deel van de zeecontainer deel uit van de constructie van het gebouw.

 

In een nieuwbouwproject willen we in een badkamer de bovenwapening in de ruwe betonvloer meenemen in de vereffening. Zijn er voorwaarden verbonden aan de maximale diepte die deze bewapening heeft ten opzichte van de uiteindelijke afgewerkte vloer? Oftewel, dient er gekozen te worden voor een separate aardmat als de bewapening 'te diep ligt'?

1. De betonbewapening van de badkamer moet in de potentiaalvereffening worden betrokken. Bepaling 411.3.1.2 van de NEN 1010. Hierbij moet de bewapening intern zijn doorverbonden met de andere bewapening en er moeten aansluitklemmen zijn aangebracht voor het aarden van andere metalen delen. In veel gevallen lukt dit niet en wordt boven de bewapening een metalen mat aangebracht die goed geleidend met de potentiaalvereffening is verbonden.

 

2. Tegenwoordig wordt in de badruimten ook elektrische vloerverwarming toegepast. Boven de vloerverwarming moet in dat geval een deugdelijk gevlochten of gelaste metalen mat worden aangebracht en geaard. Deze mat is niet vereist indien de elektrische kabels van een aardscherm zijn voorzien.

 

Onverminderd blijft het 1e altijd van toepassing.

We willen graag een tussenmeter (3 fase) plaatsen tussen bedrijfspand en de woning. Zijn hier specifieke regels voor?

 

Er zijn geen specifieke eisen voor tussenmeters.

De tussenmeter kan achter de hoofdschakelaar worden geplaatst en is daardoor gemakkelijk en veilig aan te brengen Het is wellicht wel fraudegevoeliger.

 

De meter kan ook voor de hoofdschakelaar worden geplaatst.

De installatie moet dan spanningsloos worden gemaakt aan het begin van de voedende kabel. Dit vergt wat meer organisatie bij spanningsloos maken e.d.

Is wel minder fraudegevoelig. Meter zal wel verzegeld worden, neem ik aan.

Moeten bij een normaal gebouw (kantoor, school) metalen  kozijnen worden geaard? De vraag spitst zich toe op: - Een metalen (binnen) kozijn en - Een metalen kozijn met een deur in de gang. Op of aan deze kozijnen zijn GEEN elektrische apparaten bevestigd. Klopt het dat ik deze kozijnen moet zien als een vreemd geleidend deel? 2.12.11 vreemd geleidend deel geleidend deel dat geen deel uitmaakt van de elektrische installatie en dat oorzaak kan zijn van een elektrische potentiaal, in het algemeen de elektrische potentiaal van de plaatselijke aarde. De metalen kozijnen zullen immers bewust of onbewust verbonden zijn met de bouwaarde. Of het een "harde" galvanische koppeling betreft of niet kan  natuurlijk over gediscussieerd worden. Wanneer je verder leest in de NEN 1010 kom je tegen: 411.3.1.2 - Beschermende vereffening In elk gebouw moeten de aardleiding, de hoofdaardklem en de volgende  geleidende delen met de beschermende vereffening zijn verbonden: a.      metalen leidingen voor inpandige voorzieningen, bijvoorbeeld gas en water; b.      vreemde geleidende delen van de gebouwconstructie indien deze tijdens normaal gebruik bereikbaar zijn; c.      metalen centrale verwarmings- en luchtbehandelingssystemen; d.      metalen wapening van gewapende betonconstructies indien deze wapening bereikbaar is en betrouwbaar doorverbonden. Definitie : 2.13.20 beschermende (potentiaal)vereffening (potentiaal)vereffening voor veiligheid Hieruit blijkt dat je deze voorzieningen moet voorzien van een beschermende potentiaal vereffening. Wat betekent dit nu in de praktijk; moet je nu alle kozijnen aarden (binnen en buiten) of kun je stellen dat wanneer er geen elektrisch toestel aan is bevestigd en er ook geen leidingen aan zijn bevestigd dat dit niet nodig is? Hoe wordt er omgegaan met metalen kozijnen in de buitengevel? Moeten die geaard worden met betrekking tot de bliksemafleider installatie. Voldoet deze aarding dan ook voor de binnenzijde? En hoe verandert deze situatie wanneer aan de "binnenzijde" een klasse 1 medisch gebruikte ruimte ligt?

Raam- en deurkozijnen die geen contact maken met de wapening of de metalen frames kunnen geen oorzaak zijn van potentiaalversleping en zijn dan ook geen vreemde geleidende delen.Deze delen behoeven dus ook niet deel uit te maken van de vereffening. Zie blz. 3 van blad 10 van de NPR 5310.

 

In hoeverre er contact is met de geaarde beton/gebouw bewapening moet door meting worden vastgesteld.

 

Indien op of in de raam- of deurkozijnen elektrische installatiedelen zijn aangebracht, dan moet de vereffening uiteraard wel zijn aangebracht. Zie bijvoorbeeld bij installatiemethode 74 en 75.

 

Voor de toepassing hiervan in medisch gebruikte ruimte klasse 1, zie bepaling 710.415.2.1 bij de tweede toelichting en blad 46 van de NPR 5310.

Een klant stelt een vraag: Men wil 2 x 400mm2 aardkabel aanbrengen op een aardrail van 600x10 mm. Door middel van deze rail wordt een hoofdverdeler gevoed en dient ook een verbinding te worden gemaakt met de voedende trafo (2500kVA), genoemde verbinding wil men realiseren door het gebruik van een 1x 300mm2 aardekabel, aan te sluiten op een aardrail van 600x10 mm van de transformator. - Welke gegevens zijn er nodig om te bepalen of dit toelaatbaar is? - Is het toegestaan om de transformator slechts met één aardekabel te verbinden?   Zie bijgevoegde foto.  

Antwoord Sjef Cobben: Het verdient de voorkeur om gebruik te maken van een PEN-verbinding tot de hoofdverdeelinrichting. Bij hoofdschakelaar niet schakelen ... Lees meer »

Bij een nieuwbouwproject is een ringleiding over de eerste en tweede verdieping aangelegd. Deze ligt nu in de smeervloer BC16mm². Er was een TN-stelsel verwacht, maar er blijkt een TT-stelsel te komen. Het bleek alleen mogelijk in de entree op de begane grond de aarddraad naar buiten te leggen. Daar zijn er nu twee aangebracht om te voorkomen dat bij een enkele breuk alle woningen zonder aarde komen te zitten. Deze twee aardleidingen liggen nu aan beide kanten van de entree en komen buiten met een onderlinge afstand van ongeveer 3 meter. Is het verstandig om daar ter plekke de twee aardpennen te slaan of mogen ze op één aardpen? Moet er een bepaalde minimale afstand tussen de twee aardpennen?

Volgens de norm NEN 1010 moet bij een TT-stelsel met een aardingsvoorziening voor meer dan één elektrische installatie, blijvend worden voldaan aan de ... Lees meer »

Aardlekschakelaars

Deze vraag gaat over de voedingskabel van een onderverdeelkast in een woning. De onderverdeelkast is voorzien van 30 mA aardlekschakelaars voor de beveiliging van de eindgroepen. Moet de voedingskabel (van hoofdverdeler naar onderverdeelkast) ook worden beveiligd door een aardlekschakelaar of is beveiliging door een installatieautomaat voldoende?

Als de verspreidingsweerstand voldoende laag is om de installatieautomaat uit te laten schakelen, dan is een extra aardlekschakelaar niet nodig. Bij een B-automaat is dan wel een circuitweerstand nodig van 40/In. Als de circuitweerstand te hoog is, dan moet een selectieve aardlekschakelaar met een aanspreekstroom van 0,3 A worden toegepast. 

Moet een wasautomaat altijd achter een 30 mA aardlekschakelaar?

Nee, niet als het toestel vast is aangesloten, dus via een trekschakelaar. Verder in alle andere gevallen wel. Deze uitzondering bestaat omdat vast aangesloten toestellen minder kwetsbaar zijn. Er bestaat een kleinere kans op beschadiging. 

In een woninginstallatie pas ik twaalf groepen toe, geschakeld achter drie aardlekschakelaars. Moet ik wel of niet een hoofdschakelaar toepassen?

Een hoofdschakelaar is vereist. 

De installatie in een hotel dateert uit de tijd dat er geen aardlek- en aardingsinstallatie was verplicht. In de kamers van dit hotel wil men het aantal wandcontactdozen uitbreiden en wel met een Engelse, een Amerikaanse en een Nederlandse wandcontactdoos. Wat is het gevolg voor de bestaande installatie? Moet deze geheel worden aangepast? Moeten we alles achter een aardlekschakelaar plaatsen en moet alles geaard worden?

De nieuwe NEN 1010 geldt niet voor bestaande installaties, ook niet als een extra wandcontactdoos wordt geplaatst. Het verdient wel aanbeveling om de wandcontactdozen in de kamers te beveiligen met een 30 mA aardlekschakelaar. Daarnaast is het verstandig om alles zoveel mogelijk met beschermingsleiding uit te voeren.

 

Moet de verlichting in een woonhuis over twee aardlekschakelaars verdeeld worden en geldt bij de keuken een bijzonderheid?

Bij een defect in de installatie moet er nog verlichting over zijn, dus is verdeling over twee aardlekschakelaars zinvol. Hierbij dienen alle aansluitpunten voor verlichting geplaatst te worden achter een aardlekschakelaar (30 mA), (uitgezonderd verlichting in hal gang of overloop, deze verlichting mag er overigens wel achter zitten). Ook alle wandcontactdozen moeten achter een 30 mA aardlekschakelaar worden geplaatst en voor de keuken geldt dat niet alle wandcontactdozen op dezelfde groep mogen worden aangesloten. 

In een woning zitten tien eindgroepen. Moet ik hier drie aardlekschakelaars toepassen? Hoe sluit ik het handigst de toestellen voor vaste aansluiting aan? Met een werkschakelaar? En indien drie aardlekschakelaars nodig zijn, is dan ook een hoofdschakelaar verplicht?

Voor een 30 mA aardlekschakelaar geldt een maximum van vier eindgroepen. Bij twee aardlekschakelaars dus maximaal acht eindgroepen. Voor twee eindgroepen moet dan een toestel vast worden aangesloten, uiteraard met schakelaar.

Als de verlichting bij meer dan vier eindgroepen verdeeld moet worden over twee aardlekschakelaars, kunnen drie aardlekschakelaars als hoofdschakelaar dienst doen. De beste oplossing is dan drie aardlekschakelaars met een nominale aanspreekstroom van 30 mA. Hiervoor moet dan volgens de NEN 1010 een hoofdschakelaar worden geplaatst. 

Hoeveel eindgroepen mogen er maximaal achter een driefasen aardlekschakelaar worden geplaatst in een driefase-installatie?

Bij een 30 mA aardlekschakelaar geldt een maximum van vier aangesloten eindgroepen (in totaal, dus niet per fase). Verder zijn er geen maximum waarden gegeven. Uiteraard moet de belasting wel worden afgestemd op de nominale aanspreekstroom en nominale stroom van de aardlekschakelaar. 

Wanneer gebruikt men een 300 mA aardlekschakelaar? Is het gebruik van aardlekschakelaars type AC na 15 oktober 1997 echt verplicht of zijn hierop uitzonderingen?

De 300 mA aardlekschakelaar is voorgeschreven waar in de vierde druk van de NEN 1010 de 0,5 A aardlekschakelaars vereist was. Het gebruik van aardlekschakelaars type AC is na de definitieve invoering van NEN 1010 vijfde druk niet meer toegestaan. Dan moeten aardlekschakelaars type A of type B worden gebruikt. 

In een badruimte van een woning vind ik dat er in de buitenzone een wandcontactdoos, mits achter een aardlekschakelaar, geplaatst mag worden. Elders lees ik dat een wasautomaat op een eigen groep moet. Mag ik nu het aansluitpunt voor de wasautomaat in een badkamer door middel van een wandcontactdoos uitvoeren?

Het is toegestaan en ook heel gebruikelijk om voor de wasmachine een wandcontactdoos te plaatsen in de douche of badruimte buiten de zones 0, 1 en 2. Deze wandcontactdoos moet zijn aangesloten op een afzonderlijke eindgroep en zijn beveiligd met een 30 mA-aardlekschakelaar.

Voor een verbouwing van een pand uit de jaren ‘70 zijn we bezig met de voornbereiding van de aanpassingen in de elektrische installatie. Kort samengevat komt er 80% een nieuwe installatie in na de verdeelkasten. De vraag is welke norm (NEN 1010) is van toepassing voor deze verbouwing. Indien dit de huidige versie is, zullen de kosten aanzienlijk hoger zijn dan wanneer we verder kunnen bouwen op de bestaande verdelers. (Nog zonder aardleks uitgevoerd bijvoorbeeld.)

In bepaling 11.2.f van NEN 1010 is aangegeven dat deze norm betrekking heeft op, onder andere wijzigingen en uitbreidingen van installaties, inclusief delen van de bestaande installatie die door wijzigingen worden beïnvloed.
Bij de gestelde vraag is het duidelijk dat de nieuwe installatie die wordt aangelegd moet voldoen aan de huidige NEN 1010. Voor de beslissing wat van de bestaande installatie verder nog moet worden aangepast is bepaling 134.1.1 van toepassing, die zegt dat goed vakmanschap vereist is bij het uitvoeren van elektrische installaties. Het aanbrengen van aardlekschakelaars is mogelijk in strikte zin niet vereist omdat de schakel- en verdeelinrichting niet wordt gewijzigd, maar is wel zeer aan te bevelen. Hier moet een afweging komen tussen kosten en veiligheid.
In blad 30 van de NPR 5310 zijn diverse aanduidingen opgenomen hoe met het wijzigen en uitbreiden van bestaande installaties moet worden omgegaan. De conclusie kan zijn dat het wijzigen van de bestaande verdeelkast niet strikt vereist is als daar niet aan wordt gewerkt, maar de uiteindelijke installatie zal niet voldoen aan de huidige stand van de techniek en de veiligheid bij het gebruik van de installatie door het ontbreken van 30 mA aardlekschakelaars.

  Achter een aardlekschakelaar mogen 4 groepen zitten. Wat nou als je een vierpolige aardlekschakelaar hebt, mag je dan op elke fase 4 groepen zetten? En sinds wanneer is deze eis van toepassing?  

In die situatie zal de waarschijnlijk de gehele installatie slechts door slechts 1 aardlekbeveiliging worden beveiligd. Dit is niet toegestaan.

In de laatste aanvulling (2011) op de NEN 1010 is in bepaling nr. 531.2.3 en 531.2.4 het volgende opgenomen:
Installaties met twee of meer eindgroepen mogen niet door één toestel voor aardlekbeveiliging met een toegekende aanspreekstroom van ten hoogste 30 mA in hun geheel worden uitgeschakeld.

Dus in deze situatie zal men minimaal twee aardlekbeveiligingen moeten toepassen. Men moet dan twee vierpolige aardlekbeveiligingen toepassen. Achter deze vierpolige aardlekbeveiligingen zal men dan 3 fasen en eenfasegroepen aansluiten. In deze situatie heeft men te maken dat minimaal de helft van de installatie achter de aardlekbeveiliging is aangesloten. Bij het toepassen van een aardlekbeveiliging van 30 mA is het de vraag of deze niet ongewenst zal aanspreken omdat in een installatie altijd lekstromen aanwezig zijn. Dit is sterk afhankelijk van de uitgebreidheid van de installatie.
 

Is het verplicht aardlekschakelaars te plaatsen bij utiliteit? Het gaat in dit geval om een kantine van een voetbalvereniging die ook gebruikt gaat worden als bijeenkomstruimte van de wijk.

Ook voor utiliteit is het op basis van bepaling 411.3.3 vereist wandcontactdozen en verplaatsbaar elektrisch materieel, te beveiligen met 30 mA aardlekschakelaars. Deze eis geldt voor alle wisselstroomketens zowel in de woningen als bij utiliteit, winkels en bedrijven.

Is het, in bepaalde omstandigheden, mogelijk om meer dan vier eindgroepen achter een 30mA aardlekschakelaar te plaatsen? Zo ja, in welke omstandigheden?

Bij bepaling 531.2.1.3 is aangegeven dat op 1 toestel voor aardlekbeveiliging met een toegekende aanspreekstroom van ten hoogste 30 mA, mogen ten hoogste vier eindgroepen zijn aangesloten.

De NEN 1010 geeft geen uitzonderingen of afwijkende bijzondere omstandigheden.

De fabriek waarin wij werken is ongeveer twintig jaar geleden gebouwd. De elektrische installatie is uitgevoerd met een PEN-geleider, dus de nul hangt aan de aarde. Als wij werkzaamheden in de fabriek hebben met elektrisch handgereedschap koppelen wij een paddestoel aan een WCD die is beveiligd met een installatie automaat. Volgens de laatste richtlijnen moet deze voorzien zijn van een aardlekschakelaar. Dit werkt echter niet als aan de voedende zijde de nul aan aarde ligt. Kunt u mij hierover adviseren? 

Bij koppeling van de nul en de beschermingsleiding heeft men te maken met een zogeheten TN-stelsel. In de verdeelinrichtingen of groepenkasten waarop de wandcontactdozen zijn aangesloten, is er al een scheiding tussen de nul en de beschermingsleiding doorgevoerd. Een scheiding of splitsing zal altijd worden doorgevoerd. De beveiliging in de verdeelinrichting of groepenkast kan bestaan uit schroefpatronen of installatieautomaten. De desbetreffende installatie zal te allen tijde dubbelpolig kunnen worden afgeschakeld. Tot zover de opbouw van de installatie.

Vanaf de verdeelinrichting of groepenkast zal in elk geval met een drieaderige leiding de wandcontactdoos zijn aangesloten. De paddestoel kan hierop gewoon worden aangesloten, zelfs met aardlekschakelaar. Indien alle apparatuur die op de paddestoel wordt aangesloten in orde is, is er niets aan de hand en zal de aardlekschakelaar niet uitschakelen. Indien een fout in de installatie aanwezig is in de vorm van isolatiefout nul-aarde zal de aardlekbeveiliging uitschakelen. Het is heel iets anders als de PEN-leiding geheel is door gevoerd naar de desbetreffende contactdoos, hetgeen trouwens niet is toegestaan. De PE- en de nulleiding worden veelal na de voeding gesplitst. Als ik de leeftijd van de installatie in ogenschouw neemt is dit hier ook het geval. 

Is het toepassen van aardlekschakelaars in een bakkerij verplicht? De klant heeft nu een oude verdeelkast met een 500 mA ALS, die regelmatig uitspringt door de som van de lekstromen van de bakkerij-machines.

Het toepassen van aardlekschakelaars is onder bijzondere omstandigheden verplicht, bijvoorbeeld ruimten met brandgevaar, vochtige ruimten stoffige ruimten e.d. Voor bakkerijen bestaat deze bepaling niet, tenzij de bakkerij is ingedeeld als één van de bovengenoemde ruimten (hetgeen ons sterk lijkt). Daarnaast komt het in bepaalde delen van ons land voor dat het aardingscircuit onvoldoende laag is zodat op grond hiervan de gehele installatie door middel van een aardlekbeveiliging van 300 mA (voorheen 500 mA) moet worden beveiligd. Dit komt voor in TT-Stelsels met zanderige gronden (Veluwe en omgeving). Bij grotere installaties wordt zodoende veelal overgegaan op een ander stroomstelsel bijvoorbeeld TN-Stelsel. Indien men van stroomstelsel wil veranderen zal overleg met het energieleverend bedrijf plaats moeten vinden. Indien een aardlekschakelaar van 0,5 A regelmatig uitschakelt kan men ervan uitgaan dat wel degelijk iets mis is in de installatie of de aangesloten machines. Vele isolatiefouten zijn de oorzaak van brand. Afhankelijk van de overgangsweerstand zal een behoorlijke hoeveelheid warmte worden ontwikkeld (P = I2.R). Ons advies is dan ook in de gehele installatie de isolatieweerstand te meten. 

Aansluiting aardelektroden

Wij hebben voor een klant van ons een aardelektrode geslagen voor een vakantiehuisje. Nu willen de eigenaren van de vakantiehuisjes er omheen gebruikmaken van zijn aardelektrode. Volgens mijn idee mag dat niet, maar ik kan het niet terugvinden. Weet u waar het staat aangegeven?

Een enkele onderbreking in een beschermingsleiding die voor meer dan één elektrische installatie in gebruik is, mag niet leiden tot een aanraakspanning die niet voldoet aan rubriek 414  411 van de NEN 1010 deel 4. Dit wil zeggen dat er voor meerdere installaties minimaal twee elektrodes aanwezig moeten zijn. 

Er dienen minimaal twee elektroden aanwezig te zijn die afzonderlijk voldoen aan de eisen van een TT-stelsel. Zie ook bepaling 542.3.2 in NEN 1010:2007+C1:2008.

Aardlekautomaten

Moet elke eindgroep een eigen aardlekautomaat hebben?

Nee, dit is niet verplicht, er worden wel eisen gesteld aan het maximum aantal eindgroepen (vier) per aardlekschakelaar om ongewenst uitschakelen te voorkomen. 

Aardlekstromen

In bepaling 531.2.1.3 staat onder andere dat de te verwachten lekstromen bij normaal bedrijf geen onnodig uitschakelen mag veroorzaken. Hiervoor wordt in de praktijk een waarde aangehouden van hoogste 10 mA. Hoe bepaal ik de toegelaten aardlekstromen van aangesloten toestellen? Bijvoorbeeld van toestellen in woningen zoals wasmachine, droogtrommel, kookplaat, TV-radio en verlichting, maar ook van toestellen in kantoren zoals PC, airco, kopieerapparaat etc. 

Volgens de normen mag apparatuur voor huishoudelijk gebruik geen lekstroom hebben groter dan de waarden aangegeven in tabel 4.1. Voor bestaande apparatuur of voor niet-huishoudelijke toepassingen zal de fabrikant dit moeten aangeven. Er is meetapparatuur in de handel om de lekstroom van een toestel te kunnen bepalen.

 

Toestelsoort

In

Ilek maximum

Toestellen, via wandcontactdoos tot en met 32 A

 

≤ 1,5 A

> 1,5 A maar < 10 A

> 10 A

 

0,5 mA

0,35 mA/A

3,5 mA

Toestellen, via wandcontactdoos

groter dan 32 A

 

 

≤ 8,75 A

> 8,75 maar <25 A

> 25 A

 

3,5 mA

0,4 mA/A

10 mA

Vast aangesloten

≤ 8,75 A

> 8,75 A maar < 25 A

> 25 A

3,5 mA

0,4 mA/A

10 mA

 

Schakelen en scheiden

Ik heb een vraag over een installatie die als volgt is opgebouwd: een vermogensautomaat 125 A, een voedingskabel van ongeveer zestig meter naar een kast met een nulspanningsautomaat van 125 A, vervolgens een railkast met een aftakking naar een CEE-form wandcontactdoos. Moet die wandcontactdoos geschakeld worden en moet de railkast achter de nulspanningsautomaat?

Voedingskabel van zestig meter naar kast met nulspanningsautomaat 

 

De railkast behoeft niet achter de nulspanningsbeveiliging als op een andere manier er voor gezorgd wordt dat er na spanningsuitval en terugkomen van de spanning geen gevaarlijke situaties ontstaan of teveel vermogen gelijktijdig wordt ingeschakeld. De wandcontactdoos moet worden geschakeld. Als de automaat alleen bedoeld is voor de wandcontactdoos dan kan deze automaat hiervoor worden gebruikt.

Mag op een hoofdschakel- en verdeelinrichting direct achter de trafo van het energieleverende bedrijf een afgaand veld vóór de hoofschakelaar geplaatst worden? Dit veld is voor de voeding van een schakel- en verdeelinrichting waarop verlichting en 230 V wandcontactdozen zijn aangesloten. Hoe was dit in de vierde en vijfde druk

 

Dit mag ook in de editie NEN 1010:2007+C1:2008  alleen onder de volgende voorwaarden:

  • Leidinglengte korter dan 3 m;
  • Brandvrij gelegd;
  • Mechanisch beschermd.

 

Zie de bepalingen 433.2.2 en 434.2.1. Dit is dus gelijk als genoemd in de vierde en vijfde druk. 

 

Is een werkschakelaar voor een verwarmingselement die buiten is opgesteld verplicht (1 fase en 3 fase toepassing)?

De hoofdbepaling die geldt is:

 

536.3.1 - ALGEMEEN

 

536.3.1.1

 

Indien bij niet-elektrotechnische werkzaamheden gevaar voor lichamelijk letsel kan ontstaan moeten voorzieningen om uit te schakelen zijn aangebracht.

 

Bij verwarmingselementen zal er geen lichamelijk letstel kunnen ontstaan, dus is een werkschakelaar niet per se noodzakelijk. Let op, indien er elektrotechnische werkzaamheden moeten worden verricht, zal het betreffende apparaat wel in alle fasen en nul moeten zijn gescheiden van de voeding.

Moeten CEE-norm contactdozen van 63A afschakelbaar zijn, en dus zijn voorzien van een in-/aangebouwde schakelaar?  

In de NEN 1010 is niet terug te vinden dat CEE-form contactdozen van een schakelaar moeten zijn voorzien. Het is natuurlijk wel van belang dat de stekker  stroomloos wordt verwijderd. Vaak worden bij dit soort contactdozen wel schakelaars geplaatst (niet verplicht) omdat niet-elektrotechnisch deskundigen deze contactdozen gebruiken. Maar veelal is er op de apparatuur, die op deze contactdozen worden aangesloten, een schakelaar aanwezig en kan de stekker stroomloos worden verwijderd. Dus ga na in welke omstandigheden de contactdozen worden gebruikt.

Er is in een winkelcentrum (klein) een hoofdverdeelinrichting met 3 hoofdmeszekeringen van 250A. Deze wordt verdeeld naar een aantal andere verdeelinrichtingen. Daarvan moeten wij er een vervangen. Deze verdeelinrichting is 100A voorgezekerd. Is het mogelijk, als we een 125A lastscheider toepassen, direct B16A installatieautomaten toe te passen. Dan gaan we van 100A zekeringen direct naar 16A. Is dat toegestaan?

Het is toegestaan achter de 100 A smeltpatroon van de verdeelinrichting over te gaan op 16 A automaten als eindgroepbeveiliging, mits deze bestand zijn tegen de optredende kortsluitstroom die achter de hoofdbeveiliging kan optreden. De kortsluitvastheid van de automaat moet hiervoor voldoende zijn. Bijvoorbeeld 6 of 10 kA. Dit moet door berekening of door de kastenbouwer worden vastgesteld.

Tijdens een afname-inspectie kwam ik een verdeler tegen die bestaat uit een dubbel geïsoleerde kast. Als je de panelen verwijdert dan zie je metalen rails waar je de automaten een andere zaken op kan "klikken". Deze rails waren niet geaard en hadden hier ook geen voorziening voor mag dat?   Ik vond het zelf heel vreemd omdat het aarden van de metalen rails niks af zou doen aan dubbele isolatie in mijn beleving. En omdat deze inrichting toch gezien zou kunnen worden als een vreemd geleidend gestel. Als door een ongeluk of defect een spanningvoerende draad tegen deze inrichting zou vallen, schakelt een aardlek of zekering niet uit. En heb je dus naar mijn mening een gevaarlijke situatie.

Schakel- en verdeelinrichtingen zijn verkrijgbaar met metalen omhulsels en kunststof omhulsels. Een dubbel geïsoleerde groepenkast is dan ook verkrijgbaar met een kunststof omhulsel en met een metalen omhulsel. De dubbel geïsoleerde groepenkast is herkenbaar aan de term klasse II, een dubbele vierkant of het aardingsteken met een kruis erdoor. Eén van deze merktekens dient op de groepenkast aanwezig te zijn.

Dubbele of versterkte isolatie is een beschermingsmaatregel die dient om te verhinderen dat een fout in de fundamentele isolatie kan leiden tot een gevaarlijke spanning op bereikbare delen (zoals een metalen omhulsel van de schakel- en verdeelinrichting) van elektrisch materieel (bep. 412.1.1 van de NEN 1010).

 

Voor schakel- en verdeelinrichtingen zelf geldt echter niet de NEN 1010, maar de NEN-EN-IEC 61439-1, schakel- en verdeelinrichtingen voor laagspanning. In deze norm wordt gesproken over bescherming door volledige isolatie. Bescherming door volledige isolatie komt overeen met dubbel geïsoleerd (klasse II) in de NEN1010.

In de groepenkast wordt de dubbele isolatie bereikt doordat er (als het goed is) voor de panelen geen aanraakbare spanningvoerende delen aanwezig zijn. Als vreemde metalen delen achter dit paneel door een defect onder spanning zouden komen te staan, treedt er geen gevaarlijke situatie op omdat deze delen niet bereikbaar zijn.

Let ook op de volgende voorwaarden waaraan moet zijn voldaan indien er sprake is van volledige isolatie:

1) Het elektrisch materieel, opgenomen in de verdeelinrichting, moet volledig door isolerend materiaal zijn omgeven.

2) Geleidende delen mogen niet het isolerend materiaal (omhulsel) doorbreken, waardoor de kans bestaat dat de foutspanning buiten het omhulsel wordt gebracht.

3) De beschermingsgraad van het omhulsel dient ten minste IP2X te zijn.

4) Het binnenwerk (metalen gestel) van de verdeler mag niet worden geaard. Dit geldt ook voor (metalen)deuren.

 

Kortom, het is bij een dubbel geïsoleerde groepenkast niet toegestaan om de vreemd geleidende delen met de beschermingsleiding te verbinden, vandaar dat er ook geen voorziening voor is. Indien dit wel zou gebeuren is de groepenkast niet meer dubbel geïsoleerd.

Aan welke voorwaarden moet worden voldaann ten aanzien van het schakelen en beveiligen van driefase-eindgroepen voor verlichting?

Er zijn geen specifieke eisen voor het schakelen en/of beveiligen van verlichting. Wel is het zaak voor de continuiteit van verlichting dat bij een fout in 1 fase, er ... Lees meer »

Leiding berekenen

Zie het bijgaande  schema hieronder. Welke kabeldiameter mag worden toegepast voor de 50 meter kabel aan de secundaire zijde van de trafo? Deze diameter wordt betreffende het kortsluitvermogen immers bepaald door de 100 A hoogspanningszekering en wat overbelasting betreft door de automaat.

 

Het is zinvol om ongeacht de huidige instelling van de thermische beveiliging uit te gaan van de nominale stroom van de verdeelinrichting. De bedrijfsstroom wordt dan 1600 A en dit is dan ook de hoogst toelaatbare stroom Iz. Hierdoor is ruimte voor optimale uitnutting van de verdeelinrichting en kan men gebruik maken van eventuele reservegroepen. Nog ontbrekende gegevens zijn grondtemperatuur, warmteweerstand van de grond en aantal belaste aders. Stel dat de temperatuur 20 graden is (geen correctiefactor nodig) en de warmteweerstand 0,8 (de gemiddelde waarde in Nederland) dan kan voor de warmteweerstand een correctiefactor van 1,62 worden toegepast. De benodigde Iz wordt dan 1600/1,62 = 988 A.

 

De wijze van aanleg is te vinden onder installatiemethode 63, basisinstallatiemethode D. De benodigde belastingstabel is A.52.6 kolom 7. Het aantal benodigde parallelle kabels zal minimaal drie bedragen. De benodigde Iz per kabel is dan 988/3 = 329 A. De benodigde doorsnede wordt dan 240 mm2. Let op: Als de kabels tegen elkaar liggen gaat dit weer ten koste van de belastbaarheid. Men moet hiermee dan weer corrigeren. De kabels dus uit elkaar leggen. 

Op welke wijze kan bij het berekenen van leidingen het percentage van de hogere harmonischen worden bepaald?

Het percentage hogere harmonischen moet door de fabrikant van betreffend elektrisch materieel worden gegeven. Met bijlage 52C van NEN 1010:2007+C1:2008 blz. 492 en 493 kan dan een reductiefactor worden bepaald.

Overig

Er is ons gevraagd een hotel van oudere datum in Amsterdam te inspecteren. Wij constateren dat er in de badkamers geen centraal aardpunt aanwezig is. Vanaf welke datum was dit verplicht? Wij weten dat een installatie minimaal moet voldoen aan een bepaalde versie van de NEN1010, valt dit hier onder?  

De installatie moet voldoen aan de voorschriften die van toepassing waren ten tijde van aanleg van de installatie. Indien men een installatie heeft van bijvoorbeeld 1975 dan zal deze moeten voldoen aan de NEN 1010 2e druk 1962. Hierin was geen centraal aardpunt vereist, dit is vanaf 1985 3e druk van de NEN 1010. Daarnaast is ook de regel van toepassing dat zodra er wijzigingen in de installatie worden aangebracht, het betreffende deel van de installatie waarin de wijzigingen zich voordoen aan de van toepassing zijnde normen moeten voldoen.

Dus men is sterk afhankelijk van het jaar van aanleg en eventuele aangebrachte wijzigingen.

Is een (bliksemschicht)sticker verplicht op elektrische bedrijfsruimten of laagspanningsruimtes volgens de NEN1010?

In de NEN 3140 is in bepaling 4.8 het volgende opgenomen.

 

Bep. Nr. 4.8 Waarschuwingsborden

Waar noodzakelijk moeten er waarschuwingsborden worden geplaatst.

Waarschuwingsborden moeten voldoen aan de internationale, Europese of nationale normen.

OPMERKING Zie NEN 3011 en NEN-EN-IEC 61310-2.

 

Zie voorbeeld Figuur 103 in de NEN 3140 — Gevaar voor elektrische spanning

Mag XMvK kabel in een industriële omgeving en dan met name in kabelgoot worden toegepast?

Volgens de specificatie van de fabrikant DRAKA mogen deze kabels niet gebundeld worden gelegd. De afgelopen tijd is er een behoorlijke discussie omtrent dit onderwerp geweest. Het advies is: de fabrikant geeft aan onder welke omstandigheden zijn product mag worden gebruikt. In de situatie die u schetst kunnen geen XMvK kabels worden gebruikt.

Ik weet dat dunne snoeren doorkoppelen gevaarlijk is voor hitte en  uitschakeltijd bij kortsluiting, maar wat en waar zegt de norm hierover?

In de NEN 1010 veiligheidsbepaling voor laagspanningsinstallaties is hierover (doorkoppelen van verdeeldozen) niets opgenomen. Deze norm gaat over de vaste elektrische installatie. Er zijn wel een aantal bepalingen aanwezig waarop kan worden teruggevallen:

 

In de norm is opgenomen het volgende:

 

De doorsnede van leidingen moet zijn bepaald in overeenstemming met:

 

- de hoogst toelaatbare temperatuur van de geleiders;

- de toelaatbare spanningsval;

- de verwachte elektromechanische krachten die worden veroorzaakt door kortsluitingen;

- andere mechanische krachten waaraan de leidingen kunnen worden blootgesteld;

- de hoogste impedantie waarbij de beveiliging tegen aardfouten en tegen kortsluitstromen nog werkt.

 

Daarnaast moet de vaste installatie voldoende mogelijkheden hebben om alle apparatuur die er wordt toegepast op een veilige wijze aan te sluiten. Het kan en mag nooit de bedoeling zijn dat er vanuit slechts een of enkele wandcontactdozen met diverse blokken contactdozen wordt gewerkt. De vaste installatie is op dat moment ontoereikend en zal moeten worden uitgebreid.

 

In de NPR 5310 blad 51 zijn voor woonhuizen aantallen genoemd echter zijn deze indicatief.

Er ligt een voedingkabel, 3-fase + PE in de oude kleurcodering zwart-blauw-bruin en groen-geel. Nu wil ik 3-fase + nul + PE aan de verbruiker maken. De oude blauwe fase zou dan iig grijs gekleurd moeten worden. Een aparte aarde trekken mag volgens NEN1010 niet, want dan zou de PE omgekleurd moeten worden naar blauw (nul). Maar een aparte nulgeleider aanleggen, en de bestaande 3-fase+PE laten liggen, is dit toegestaan?

Een blauwe ader mag op voorwaarde dat er geen verwarring ontstaat en bij afwezigheid van een nulleiding als faseleiding worden toegepast (bepaling 514.3.5.4). Dit is hier dus niet van toepassing, omdat er juist een blauwe ader (nulleider) gebruikt gaat worden. Daarnaast is het leggen van een afzonderlijke nulleiding ook niet zo wenselijk in verband met verhoogde magnetische velden. Dus: Betere nieuwe kabel leggen.

Wanneer mag ik werkzaamheden verrichten (bijvoorbeeld het vervangen van verdeelinrichting)? Zelf heb ik de MTS-E gedaan en heb tijdens mijn stage bij een installateur gewerkt. Daarna ben ik eerst de HTS gaan doen en ben ik mijn gaan specialiseren in branddetectie. Maar mijn vader heeft zijn halve leven als elektromonteur gewerkt met een LTS diploma elektro. Toch heb ik het idee dat hij officieel wel aan een installatie mag werken en ik niet. Ik weet dat er een Uneto erkenning is. En een register van de SEI. Samengevat is mijn vraag: Moet mijn bedrijf of ik zelf aan voorwaarden voldoen? En zo ja welke?  

In de norm wordt gesproken over opleiding en ervaring.

 

Het LTS diploma elektrotechniek is voldoende voor aanwijzing als Vakbekwaam persoon. Indien er jarenlange ervaring is in het leidinggeven dan zou op grond hiervan de aanwijzing als installatieverantwoordelijke kunnen doen.

 

Het HTS diploma elektrotechniek geeft niet de garantie op een automatische aanwijzing als installatieverantwoordelijke. Indien er voldoende ervaring aanwezig is kan hij als installatieverantwoordelijke worden aangewezen.

Met het HTS diploma kan men zeer zeker als vakbekwaam persoon worden aangewezen.

 

De aanwijzingen staan los van de erkenningen. In de erkenningen bij STERKIN of SEI worden er wel beroepskwalificaties geëist.

 

Zowel bij SEI als bij STERKIN staan de eisen waaraan als bedrijf moet worden voldaan op de website.

 

Let op het bedrijf wordt erkend. Hierna komt de volgende stap wie laat het bedrijf aan de installatie werken en daar gaat de NEN 3140 over het voorgaande qua opleiding en ervaring.

 

Met een HTS diploma elektrotechniek is het indien aan de overige voorwaarden wordt voldaan zoals meetinstrumenten e.d. een erkenning te verkrijgen.

Op een busbar installatie die aan de NEN 1010 voldoet, wordt een Tap-off box met een CE-keurmerk aangesloten. De klant schroeft de box open en zegt dat de interne bedrading van de Tapp-off box niet aan de NEN 1010 voldoet. Vraag: Als een apparaat een CE-keurmerk (conform 2006/95/EC (ex-73/23/EEC) Elektrisch materieel bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (laagspanning) heeft, kan deze regelgeving technisch dan altijd op een NEN 1010 gekeurde installatie worden aangesloten? Of kan een gebruiker nog inwendig aanvullende NEN1010 eisen stellen, zoals een keuring conform hoofdstuk 6.  

 

Voor busbar systemen geldt de volgende norm NEN-EN-IEC 61439-6:2012 en Laagspanningsschakel- en verdeelinrichtingen - Deel 6: Railverbindingssystemen (snelbusverkeer).

 

Indien de producten van een CE-markering zijn voorzien en de fabricaten zijn op elkaar afgestemd, mag ik ervan uitgaan dat dit voldoet aan de van toepassing zijnde regelgeving en normen.

Indien de gebruiker vooraf duidelijk heeft gemaakt dat hij andere (strengere) eisen stelt dan in de normen is voorgeschreven, kan dat impliceren dat de fabrikant niet meer aansprakelijk kan worden gesteld voor zijn producten tenzij dit met toestemming van de fabrikant gebeurt.

Een keuring volgens de NEN 1010 moet altijd uitvoerbaar kunnen zijn, want bepaling nr. 61.2.2 geeft aan dat het aan de productnormen en aan de instructies van de fabrikant moet voldoen.

 

“61.2.2

Controle moet worden uitgevoerd om vast te stellen dat elektrisch materieel dat deel uitmaakt van de vaste installatie:

-          voldoet aan de veiligheidsbepalingen in de relevante productnormen en aan de instructies van de fabrikant;

            Dit kan worden vastgesteld aan de hand van informatie van de fabrikant, merktekens of een certificaat.

-          is gekozen en geïnstalleerd volgens NEN 1010 en volgens de instructies van de fabrikant;

-          niet zodanig zichtbaar is beschadigd dat de veiligheid nadelig wordt beïnvloed."

 

Het totale busbar systeem inclusief tap-off box maakt deel uit van de vaste elektrische installatie en valt onder de NEN 1010. Omdat voor deze systemen productnormen zijn, is er in de NEN 1010 onder 6.1.2 juist het volgende opgenomen:

 

“6.1.2 Controle moet worden uitgevoerd om vast te stellen dat elektrisch materieel dat deel uitmaakt van de vaste installatie:

 

voldoet aan de veiligheidsbepalingen in de relevante productnormen en aan de instructies van de fabrikant;

 

Dus het moet voldoen aan de productnormen van de fabrikant en dat moet dan wel worden gecontroleerd."

Betreft zone-indeling badkamer. Situatie: de wastafel zit om de hoek van de deur, hier wil ik het liefst mijn schakelaars ook monteren. Mag dit? Of moet ik voldoen aan een maximale afstand?

 

De afstanden moeten worden gerekend vanuit de douche of het bad. Dus niet vanuit een wastafel.

Zie bijlage 701A Zone-indeling badkamer van de  NEN 1010.

Bij een gebouw staat een compactstation van 400KVA. Meteen binnen staat een hoofdverdeler. In deze hoofdverdeler zitten meszekeringen waarop de voedingskabels vanuit het compactstation zijn aangesloten. In het compactstation zit geen voorbeveiliging. De kabels zijn in de grond in dikwandige buis gelegd. Boven op de buis/grond liggen stelcomplaten. Mijn vraag is dan: moet ik de kabel vanuit het compactstation voorbeveiligen in het compactstation, of mag dit ook in de hoofdverdeler in het gebouw. Er zit ongeveer 15 meter kabel tussen het compactstation en hoofdverdeler.  

 

De door u geschetste situatie komt vaker voor en wordt ook toegelaten. Veelal vindt afstemming met het energieleverend bedrijf plaats over hoe aan de hoogspanningszijde het een en ander is beveiligd. In principe kan men volstaan met een beveiliging tegen kortsluiting. Nagegaan moet worden of de beveiliging die in de hoogspanning is toegepast hieraan voldoet.

We zien geregeld de termen kortsluitstroom en (aard)foutstroom voorbijkomen. En de formule Ia is kleiner of gelijk aan de Isc. Wat zijn precies de verschillen tussen deze twee grootheden?

Een kortsluitstroom is een sluiting tussen de spanningvoerende onderling, fase en nul of fase en aarde.

Dus bij drie fasen, nul en aarde zijn de mogelijkheden:

Sluiting tussen

  • L1-L2-L3 = driefasenkortsluiting
  • L1-N eenfase kortsluiting
  • L1-PE(aarde) is 1fase kortsluiting naar aarde (dan praten we over aardfoutstroom)

 

Dus alle sluitingen zijn kortsluitingen.
Bij sluitingen naar aarde praten we over aardsluiting (aardfoutstroom) (ook kortsluiting/kortsluitstroom, maar omdat de sluiting naar aarde is wordt gesproken over aardfoutstroom).

Deze is in de regel kleiner dan een driefasen- of tweefasen kortsluitstroom Isc.

Vraag over het geïsoleerd opstellen van een klasse 3/S3 ruimte (medisch gebruikte ruimte). Is dit (het geïsoleerd opstellen met minimaal 3k ohm) alleen vanwege het feit de aanraakspanning te beperken tot <10mV en zwerfstromen te voorkomen, ik zie namelijk het verband niet, want als men bij de isolatieweerstandsmeting de voeding van de CAR loshaalt en de meting uitvoert en dan de benodigde 3k ohm of hoger haalt, dan valt deze toch waarde toch weer terug op het moment dat je de voeding weer op de CAR aansluit. De voeding van de CAR is immers verbonden met de aarde uit de verdeler van de betreffende afdeling. Zie ik hier nu iets over het hoofd?

In klasse 3 ruimten moeten vreemd geleidende delen en vaste aanraakbare metalen delen van de installatie worden geïsoleerd van de gebouwconstructie, dit geldt voor niet geleidende ruimten. Voor deze delen geldt dat de impedantie tussen al deze met elkaar verbonden delen en de gebouwconstructie niet kleiner mag zijn dan 3 kohm. Waar deze 3 kohm vandaan komt is mij ook niet duidelijk maar wordt wel in de bepaling 710.41C.1 van de NEN 1010 genoemd. Dit is een Nederlandse aanvulling. In Nederland wil men dat alle genoemde metalen delen geïsoleerd zijn ten opzichte van de gebouwconstructie. Veelal zal de klasse 3 ruimte als doos in het gebouw zijn aangebracht en slechts op een punt worden geaard. Dat wil zeggen als dit ene punt wordt losgenomen dat er geen verbinding aanwezig mag zijn met het aardingssysteem en dat de weerstand altijd hoger moet zijn dan 3 kohm. Op deze manier is dat redelijk eenvoudig te controleren. Men wil namelijk alles op hetzelfde potentiaal houden. In het klasse 3 gebied mag de aanraakspanning nooit hoger zijn dan 10 mV.

Wat dient de minimale lichtsterkte te zijn van de noodverlichting in ruimten met hoog risico? De NEN 1010 (2007) verschilt hierin in mijn optiek wat van het Bouwbesluit. Op welke hoogte dient deze te worden gemeten: op Vloerniveau of bijvoorbeeld op werkhoogte? Binnen hoeveel seconden dient de noodverlichting in te schakelen?  Vanuit Gebruiksbesluit noodverlichting en EN 1838 wordt het niet duidelijker.

Als start zal je het bouwbesluit van 2012 moeten geberuiken: Artikel 6.1. Aansturingsartikel Naar Nota van toelichting 1. Een bouwwerk heeft een zodanige ... Lees meer »

Indien, vanaf enig punt van de installatie, de functie van nulleiding en beschermingsleiding door gescheiden geleiders wordt verzorgd, mag de nulleiding niet worden verbonden met andere geaarde delen van de installatie (bijvoorbeeld de beschermingsleiding vanaf de PEN-leiding). Het is echter toegelaten om vanaf de PEN-leiding meer dan één nulleiding en meer dan één beschermingsleiding aan te leggen. Er mogen gescheiden klemmen of rails aanwezig zijn voor de beschermingsleiding en de nulleiding. In dit geval moet de PEN-leiding zijn aangesloten op de klem of rail voor de beschermingsleiding. Het gaat om de discussie, hoe splits je de nul-geleider af vanaf de PEN-geleider? Volgens mij kan het op de volgende manieren: Methode 1: Je plaatst een koperen strip. Voor het aansluiten van de PEN-geleider. Op deze strip plaats je twee afzonderlijke strips voor het aansluiten van de afzonderlijke NUL en PE. Methode 2: Je plaatst een koperen strip. Hierop sluit je rechtstreeks de PEN-, NUL- en PE-geleider aan. Volgens mij mag dit niet. Methode 3: Je plaatst een koperen strip voor het aansluiten van de PEN-geleider. Tevens sluit je er de PE-geleider op aan. Daarnaast plaats je een afzonderlijke klem voor de afgaande NUL-geleider. Deze NUL-rail sluit je met een draad of via een bout aan op de PEN-rail. In het artikel 543.4.3 wordt gesproken over “het MOGEN gescheiden klemmen of rails aanwezig zijn. Dat hoeft dus niet perse? Kunt u mij aangeven op basis van bovenstaande mogelijkheden hoe de NUL-geleider het best kan worden afgesplitst van de PEN-geleider overeenkomstig het artikel 543.4.3.

Methode 1: Dit komt overeen met de situatie zoals geschetst in figuur 54.1c van de NEN 1010 (blz 250) en is toegestaan.

Methode 2: Is eigenlijk de situatie dat er alleen een PEN-rail aanwezig is en de nul en PE-geleiders hiervan worden afgetakt. Deze mogelijkheid wordt in de norm niet expliciet uitgewerkt maar als het een PEN-rail is mogen hiervan volgens mij meerdere PE- en N-leidingen worden afgetakt.

Methode 3: Is identiek aan figuur 54.1a van de NEN 1010.

Leidingen

NPR 5310 Blad 4 – oktober 2007 Stelselmatige en overzichtelijke leidingaanleg (centraaldozensysteem). Een vraag vanuit het veld: Waarom mag je eigenlijk bij het modificeren geen buis de hoek om maken? NPR blad 4 geeft aan wat modificeren is. Maar geeft verder geen verwijzing aan naar een bepaling in de NEN1010. De vraag is dan ook: is het geheel fout als je een keer met een buis doorlust op een ander muur (de hoek om)?

In de huidige NEN 1010 zijn  geen eisen meer opgenomen over vakmanschap en het aanleggen van overzichtelijke en betrouwbare installaties.

In de NPR 5310 is in blad 4 een beschrijving opgenomen hoe een overzichtelijke en stelselmatige installatieaanleg uitgevoerd kan worden.

Zoals in dit blad staat is dit een voorbeeld, de NPR is geen eis maar een richtlijn. De installateur kan en mag hiervan afwijken of een eigen methode uitvoeren. De voorwaarde voor een veilige installatie staat uiteraard voorop. Het is een eigen verantwoordelijkheid van de installateur. Het doorlussen naar een andere muur lijkt mij geen bezwaar. Uiteraard blijven de eisen in hoofdstuk (deel) 5 van de NEN 1010 van toepassing.

Welke doorsnede grondkabel moet worden toegepast i.v.m. kortsluitvastheid en spanningsverlies voor een pompje  2 kW 3 fasen in de polder. De  afstand vanaf het voedingspunt bedraagt 700 meter. Moet er dan nog een hulpelectrode op locatie van het pompje komen?

De lange leidinglengte bepaalt hier de doorsnede. Voor de motor 2 kW is een 1,5 mm2 voldoende maar door de lange leidinglengte zal afschakeling bij een sluiting in de kabel niet tijdig gebeuren. Voor het spanningsverlies te beperken tot 5% is al een 4 mm2 kabel nodig. Als voor de beveiliging van de kabel wordt gekozen voor een 10 A beveiliging dan kan met een 6mm2 worden volstaan om binnen 5 seconden een uitschakeltijd te krijgen. Als een aardlek wordt toegepast dan kan eventueel een 4mm2 worden gebruikt.

Steeds meer worden Duitse voedingskabels toegepast, NYCWY. Ook als grondkabel. Deze kabel heeft een koperen en geen metalen aardscherm en is dus niet zo goed beschermd tegen mechanische beschadiging. Mag deze kabel conform NEN 1010 toch als grondkabel worden toegepast?

Antwoord Sjef Cobben: Als de kabel een CE keurmerk heeft en de leverancier heeft aangegeven dat de kabel geschikt is voor aanleg in de grond, dan kan deze mijn ... Lees meer »

Stel uw vraag

Heeft u geen oplossing voor uw probleem gevonden? Abonnees krijgen de mogelijkheid om vragen te stellen aan onze deskundige expert(s). Binnen een week kunt u een antwoord verwachten.
Klik hier voor het stel uw vraag formulier